In Eva Kelders debuutroman Het leek stiller dan het was maken we kennis met het meisje Seije, dat opgroeit bij haar alleenstaande moeder op Vlieland. Seije’s moeder heeft van opvoeden geen kaas gegeten en dus kan Seije gaan en staan waar ze wil. Zo groeit ze meer en meer op tot een eigenzinnig meisje, een buitenbeentje. Zoals dat vaak gaat met buitenbeentjes krijgt Seije het soms zwaar te verduren van haar leeftijdsgenoten. Gelukkig krijgt ze veel steun van haar beste vriend Teun.

In korte hoofdstukjes zet Eva Kelder haar personages neer, met name Seije en Teun komen echt tot leven. Al vanaf de openingszin zit er spanning in het verhaal: ‘We begroeven de hond in de tuin van de buurman’. Terloops introduceert de schrijfster hiermee het zwarte randje dat veel van de latere gebeurtenissen in het boek zal kenmerken. Seije en Teun worden ouder, roekelozer en verlaten na hun eindexamen tamelijk rücksichtlos het benauwende Vlieland. Ze gaan, nog altijd onafscheidelijk, studeren in Edinburgh.

Het gaat Seije voor de wind, in de liefde, haar studie en in de ontwikkeling van haar schrijftalent. Alleen haar vriendschap met Teun komt onder druk te staan. Kelder is zeker niet lief voor haar personages, noch zijn ze nog langer lief voor elkaar. Hebben de ervaringen uit je jeugd blijvend invloed tijdens de rest van je leven? Kun je succesvol worden zonder daarbij jezelf te verliezen? Seije worstelt met haar grote ambities en haar identiteit. Kelder jaagt haar op naar New York en laat haar uiteindelijk ook weer terugkeren naar het oude, vertrouwde Vlieland. Er is veel gebeurd in de tussentijd; Seije is moe en wij ook een beetje.

Kelder heeft duidelijk een uitgebreid verhaal voor ogen gehad. Door de geslaagde spanningsopbouw en de korte, krachtige hoofdstukken wil je het allemaal meemaken. Tegelijkertijd denk ik dat Vlieland en een stuk Edinburgh voldoende waren geweest. De eerste helft van Het leek stiller dan het was is het scherpst, het origineelst ook, en is op zichzelf al ruim voldoende aanleiding om deze debuutroman te lezen. Je voelt de vaste hand van een schrijfster die weet wat ze wil en ook de tijd heeft genomen om dat doel te bereiken. Ik ben blij met dit boek.
Met een duidelijk ontwikkelde eigen stijl en het gemak waarmee ze vaart en spanning in elk hoofdstuk weet te brengen, waardoor je als lezer continu alert bent, daagt Eva Kelder iedereen uit haar werk te lezen.

Meulenhoff, 2014
282 pagina's

18 September 2014




Comments

Een jong stel vlucht uit Roemenië en zoekt het geluk in West-Europa. Het zijn de jaren ’80 van de vorige eeuw, Roemenië zucht onder Nicolae en Elena Ceauşescu. Het communisme zou nog maar een paar jaar standhouden, maar op dat moment lijkt er geen einde te komen aan de doffe, grijze ellende. Remus en Florica doen iets wat absoluut niet mag: ze worden verliefd. Zij is een zigeunerin, een Rroma, en hij niet. Vermenging tussen Roemenen en Rroma bestond niet, kon niet, mocht niet. Florica en Remus ondervinden dit gauw genoeg. Ze moeten vluchten, weg uit het communistische Roemenië en richting het vrije Westen. Voor Florica betekent dit dat haar familie haar voorgoed zal verstoten. Maar veel geluk en een beetje wijsheid komen ze in de trein naar Triëst terecht; Italië lonkt en daarmee de vrijheid.

Dan kantelt het verhaal. Nog een half boek te gaan en opeens zijn we meer dan tien jaar verder. Er volgen belevenissen in Italië, Spanje en zelfs in Nederland, maar ik lijk de boot ergens te hebben gemist. De jonge auteur Stefan Popa wil in dit gedeelte van het boek nog van alles vertellen en lijkt de controle over zijn verhaal wat te verliezen. Voor een debutant in de Nederlandse letteren vind ik het bewonderenswaardig om te willen openen met een groots en meeslepend boek, maar daarvoor had de eerste helft van Verdwenen grenzen al volstaan. Het gedeelte in Roemenië en de vlucht daarvandaan vond ik interessant en zeer onderhoudend, al zou iemand die zelf uit Roemenië komt dit wat uitgekauwd kunnen vinden. Het tweede deel van het boek werkt bevreemdend en roept voornamelijk vragen op. Hoewel de hoofdstukken in Nederland soms erg vermakelijk zijn was ik mijn eerdere leesplezier hier kwijt. Aan het eind slaat Popa weer een bruggetje richting Roemenië, maar dat blijft wat vaag.

Ik denk dat we er een originele verteller bij hebben in Nederland (ik zeg verteller, omdat het Popa meer om inhoud dan om stijl lijkt te doen), iemand die wat anders te bieden heeft dan intellectueel navelstaren in het Amsterdamse. Als Stefan Popa de kunst van het weglaten wat meer in de vingers krijgt hebben we aan hem een hele goeie.

24 Maart 2014

Uitgeverij Link, 2014
454 pagina's



Comments

Ik ben blij dat ik dit boek eindelijk heb gelezen. Ik liep al een tijd rond met Zondagsgeld in mijn hoofd. Als het over Philip Snijder gaat heeft men het al gauw over Zondagsgeld, wat door velen beschouwd wordt als zijn beste werk tot nu toe. Het beginpunt van Snijders oeuvre, waarin de schrijver langzaam maar zeker literatuur maakt van zijn eigen leven.

In Zondagsgeld gaat het over een jongen die opgroeit op het Amsterdamse Bickerseiland. Een jeugd tussen talrijke familieleden die allemaal op het eiland wonen en Amsterdams praten zo plat als een dubbeltje. De jongen heeft een scherp observeringsvermogen en voelt zich meer en meer een buitenstaander op het eiland. Vanonder zijn verstikkende familiedeken geeft hij zijn ogen en oren goed de kost. Hij beschrijft slempende ooms, kwebbelende tantes en een opa die regeert vanuit zijn bed. Schaamte voelt geen van hen zolang ze onder elkaar zijn, behalve de jongen en zijn vader, die van oorsprong geen eilander is. Die schaamte vormt de motor van het verhaal. De schaamte wanneer de jongen zijn wekelijkse zondagsgeld mag komen ophalen bij zijn oom en tante, maar wel eerst braaf een uurtje moet blijven zitten in de huiskamer, of het ongemak wanneer zijn vader tijdens een tochtje kanoën ineens een moeilijk gesprek begint over de huwelijksproblemen thuis.

Schoolscènes, familiescènes, speelscènes, het is allemaal erg alledaags. Sommige hoofdstukken staan me veel helderder voor de geest dan andere. Het vervolg op Zondagsgeld, Retour Palermo, las ik al eerder en dat is me eigenlijk beter bijgebleven. Misschien omdat dat boek geslaagder is als roman, terwijl Zondagsgeld een lossere indruk maakt. Of omdat ik het verhaal van een jeugd in Amsterdam al veel vaker tegenkwam. Hoe dan ook wordt Snijder en zijn alter ego volwassen en gaat hij met de tijd beter schrijven. Gelukkig maar.

30 December 2013

Mouria, 2011
Oorspronkelijk verschenen in 2007


Comments

The rise and fall of a Dublin soul band called The Commitments. Deciding that Ireland lacks soul a group of working class kids form their own band, to bring soul to the people. An outlandish plan but, unexpectedly, a huge success. After many frustrating rehearsals and with a lot of help of their experienced trumpettist, Joey ‘the Lips’ Fagan, The Commitments start to swing.

With their fame, however, also comes disaster. The singer, never a likeable bloke, becomes unbearably arrogant, the saxophone player listens to jazz – the music of wankers, naturally, not soul at all – and when the three background singers one by one get caught snogging with Joey there is not much holding the band together anymore.

Manager Jimmy Rabbitte, the hero of the book, can only watch in despair as The Commitments explode on the brink of success. Such is the fate of many bands. Roddy Doyle catches all the defining moments in the ill-starred career of The Commitments. He wrote a book that is mostly dialogue, brilliantly capturing all the jokes and insults of the Irish working class. I didn’t count all the eejits, bollixes, Jaysises and shites, but the language certainly rings true.

So, do you like good music, sweet soul music? And you’re even prepared to read a book about it. Pick up Roddy Doyle’s The commitments and sing along to James Brown, Sam Cooke and Wilson Pickett.

2 November 2013

Vintage Books, 1989
Originally published 1987

P.S. This book is already 25 years old. This year, though, Roddy Doyle has published a sequel to The commitments, with a middle-aged Jimmy Rabbitte trying to make it big once more. I’m curious about that one.



Comments

Last year around this time a book was published called A casual vacancy. Its author, a rather renowned writer of children’s books who longed for acceptation from older readers. The book, regrettably, didn’t meet anybody’s expectations, the writer’s, the publisher’s nor the readers’. This won’t do, the writer thought, I’ll be the laughing stock of the country if I carry on like this. Best try something different. What about a good old detective? Lots of uncritical readers, not so difficult to write, that might just do the trick. Best do it under a different name, though, to be on the safe side.

The result: The cuckoo’s calling by Robert Galbraith.
The verdict: an unforgivable bore, my copy of which I left unfinished somewhere in Istanbul. I sincerely hope another may enjoy this weak effort at a detective, because I didn’t. Stubbornly struggling on I managed to read three quarters of it. I kept hoping for some tension, but it never came. Of course I should have abandoned this book a lot earlier and simply start one of the other books I had with me. For some reason, however, I refused to give up hope. There must be something in there, I thought.
If pressed, I would still grudgingly admit she can write: she can create convincing characters, write catchy English and be humourous quite a few times. I occasionally chuckled. So, let me repeat, she can write, but not a detective. What good is a detective without a good plot? A joke without a punch line. The plot in The cuckoo’s calling is nonexistent, boring and leads nowhere. If by three quarters of the book your loyal reader abandons his efforts you’ve done something seriously wrong.

Poor writer and poor loyal readers, of which I’m sure she still has many. Our one support will always be that magical series of children’s books we know her from. They will last.  

16 October 2013

Little, Brown, 2013




Comments

Het is de schuld van Adriaan van Dis dat ik dit boek gelezen heb. Enkele maanden geleden mocht hij een eenmalige reprise doen van zijn boekenprogramma Hier is... Adriaan van Dis. Van de drie auteurs die bij Van Dis aan tafel kwamen sprak de Duitse Judith Schalanksy mij het meest aan (hoewel ik de huilende Maarten Biesheuvel niet snel zal vergeten). Schalansky, een verlegen jonge schrijfster, ontdooide zichtbaar door de charmante, keurig Duits pratende Van Dis, die oprecht geboeid leek door haar boek De lessen van mevrouw Lohmark. Het gedeelde plezier van de schrijfster en de interviewer sloeg op mij over, zodat ik gelijk de volgende dag het boek aanschafte (ook vanwege de mooie vormgeving en de door Schalansky zelfgemaakte illustraties is dit bij uitstek een boek dat je wilt hebben). Eigenlijk moet je dergelijk enthousiasme zo snel mogelijk verzilveren door het boek meteen te lezen, want anders gaan er al gauw enkele maanden overheen, zoals nu het geval.

Was De lessen van mevrouw Lohmark het wachten waard? Jazeker. Zal het me bijblijven? Dat weet ik nog niet zo zeker. Schalansky zet een mooi portret neer van biologielerares Inge Lohmark. Deze doorgewinterde docente geeft nog ouderwets streng les, ergens in voormalig Oost-Duitsland. Een erg populair stukje Duitsland is dit duidelijk niet. Mensen zien er weinig toekomst en trekken weg, waardoor er nog maar weinig kinderen zijn om les aan te geven. Verschillende van mevrouw Lohmark’s collega’s hebben het moeilijk in dit nieuwe Duitsland. Mevrouw Lohmark blijft er echter vrij stoïcijns onder. Week in week uit haar leerlingen de grondslagen van de biologie bijbrengen, dat is wat telt voor haar. Haar wereldbeeld paste goed binnen de DDR, maar is dit nog langer houdbaar in het herenigde Duitsland? De verwikkelingen in de roman draaien om mevrouw Lohmarks hardnekkig vasthouden aan haar principes.

Zoals gezegd, Schalansky schetst een levendig portret van haar mevrouw Lohmark (goeie naam trouwens!). Bovendien kaart ze enkele interessante thema’s aan: het eigen morele kompas versus de gewenste moraal van het gezag, trouw aan je omgeving of kiezen voor eigen succes, meebewegen met veranderingen of vasthouden aan het verleden. De uitwerking is echter te kort, het verhaal te onbevredigend. Schalansky stipt veel aan, maar doet daar voor mijn gevoel te weinig mee. Anders gezegd, ik had nog wel meer over mevrouw Lohmark willen lezen. Het afsluitend beeld van het boek vind ik dan weer wel erg mooi: een groep struisvogels, symbool voor de halstarrigheid van mevrouw Lohmark, maar misschien ook wel voor voormalig Oost-Duitsland als geheel; een vogel die niet kan vliegen, of een Duitser die zich niet thuis voelt tussen de Duitsers.

30 September 2013

Signatuur, 2012
Oorspronkelijke titel Der Hals der Giraffe, 2011
Vertaald uit het Duits door Goverdien Hauth-Grubben




Comments

Een paar boeken per jaar blijven je bij. De originele, bijzondere, eenzame boeken die je je over tien jaar nog voor de geest kunt halen. De vlucht is daar één van.
Een tijd geleden was Jesús Carrasco in Nederland. Hij werd geïnterviewd door Jasper Henderson en ik luisterde mee. Over het algemeen droom ik gestaag weg bij dit soort gelegenheden, maar nu begon ik steeds aandachtiger te luisteren. De man straalde iets uit; overtuiging, wil, leek schuchter maar eerlijk. Zijn passie voor schrijven sloeg over op het publiek. Zijn boek moest ik lezen.
De vlucht is met dezelfde elektriciteit geladen. Je hoeft slechts een paar zinnen te lezen en je voelt het. De jongen die op de vlucht is, de harde, onverschillige natuur, het weidse landschap dat verstikt en platdrukt. Je ziet de dorre vlakte, je voelt de brandende zon. Tot en met de verlossende regenbui aan het einde blijf je in Carrasco’s ritme en volg je de meeslepende cadans van zijn zinnen. Een groot compliment aan Arie van der Wal, die dit ritme perfect heeft weten vast te houden in het Nederlands.
De spanning, de eeuwigdurende strijd om te overleven; het kaalste stuk van Spanje lijkt het ideale decor voor dit meesterlijke boek.

8 Juli 2013

Meulenhoff, 2013
Oorspronkelijke titel Intemperie, 2013
Vertaald uit het Spaans door Arie van der Wal





Comments

Dit boek speelt met me. Ik kan er geen vat op krijgen. Daar begint het al mee, waar komt die neiging vandaan dingen in hokjes te stoppen, te verklaren: reisboek, autobiografie, essaybundel, of toch een roman? Vanaf het begin had ik geen rust. Valeria Luiselli, een jonge Mexicaanse schrijfster, is op allerlei plekken ter wereld en schrijft daarover. Sommige plekken die ik ken – Venetië, New York – andere die ik niet ken – Mexico-Stad, Mumbai. Ze opent in Venetië, op zoek naar Joseph Brodsky en diens graf. Brodsky opent vervolgens de deur naar Luiselli’s mijmeringen; over andere beroemde schrijvers op die begraafplaats in Venetië en, door ook hen te citeren, nieuwe mijmeringen over slenteren door steden, zoals vele schrijvers dat voor haar deden (onlangs nog Teju Cole); over het schrijven zelf en de drang geliefde boeken te herlezen, wat herinneringen in gang zet over de plek waar je een boek voor het eerst las.
Luiselli schrijft associatief, maar haar boek leest ook associatief. Via de vele citaten en verwijzingen (te veel om te tellen!) droomde ik zelf ook weg. Valse papieren is zo opgebouwd dat je steeds weer heen en weer bladert; waar bevinden we ons nu, welke schrijver was het ook al weer die daar iets over gezegd had. Valeria Luiselli lezen is aanstrepen (in tijden niet meer zoveel aangestreept), wegdromen, terugbladeren; steeds opnieuw. Valse papieren staat vol prikkelend proza. Een boek waar ik zeker nog vaker naar zal terugkeren. Tot slot nog dit citaat, over slenteren per fiets: ‘Alleen wie de wereld vanaf een fiets beziet, kan verkondigen een extravagant-romantische slenterziel te bezitten’ (p. 53).

10 April 2013

Uitgeverij Karaat, 2012
Oorspronkelijke titel Papeles falsos, 2010
Vertaald uit het Spaans door Merijn Verhulst




Comments

Waar ze in de VS de eeuwige discussie hebben over de ‘Great American novel’, zijn ze in Duitsland altijd op zoek naar het ultieme boek over de Wende. Die discussies blijven boeiend, omdat er nooit een eenduidig antwoord op is. Enkele jaren geleden werd De toren van Uwe Tellkamp opeens onthaald als de definitieve Wende-roman. Onlangs woei de nieuwste literaire sensatie vanuit Duitsland over naar Nederland, In tijden van afnemend licht van Eugen Ruge. Waarom lees je het ene boek niet en het andere wel? Vele zaken wegen mee: titel, omvang, omslag, recensies, persoonlijke tips. Op al die fronten scoorde Ruge goed, hoewel ik wel sterk het gevoel had dat het hier om een literair zwaar werk ging. Gelukkig maar dat vooroordelen niet altijd juist blijken te zijn, want wat een prettig boek was dit. Het zat er gezien de omvang (350 bladzijden) weliswaar niet in het boek in één ruk uit te lezen, maar die gewaarwording, die drang, was er wel continu. Ik hou daar erg van: een boek dat in literair opzicht tot een hoog niveau behoort, maar dat tegelijkertijd prettig en vlot leest. Het hoeft niet altijd moeilijk.
In tijden van afnemend licht gaat over de DDR, of over vier verschillende generaties die hun leven in communistisch Oost-Duitsland hebben doorgebracht. De DDR bestond nog geen 45 jaar, te weinig voor één mensenleven, dus voor veel personages in het boek is er sprake van een tijd vóór en een tijd ná. De ruggengraat van het verhaal ligt in 1989, vlak voor de Wende, als tijdens de 90e verjaardag van de pater familias alle familieleden bij elkaar komen. Gedurende het boek voltrekt die ene feestdag zich van begin tot eind, steeds afgewisseld met hoofdstukken die soms in het verleden en soms ook al in de toekomst spelen. Per hoofdstuk wisselt het perspectief, zodat je de voorgeschiedenis van enkele oudere personages meekrijgt (Rusland, Mexico) en de moeizame familieverhoudingen leert begrijpen. De meeste gebeurtenissen spelen zich af in huiselijke kring en draaien voornamelijk om het onvermogen anderen te begrijpen en vooral ook het onvermogen zelf begrepen te worden. Iedereen in het boek wil wat van zijn leven maken, maar dit is vaak lastig in die vreemde DDR-samenleving, waarin veel geroepen werd maar weinig kon. Bovendien zitten de verschillende generaties elkaar in de weg, waardoor er veel frustraties ontstaan; onuitgesproken uiteraard. Tussen die dromen en frustraties in lijden zij hun leven, voornamelijk bezig zich net iets anders voor te doen dan ze daadwerkelijk zijn. Dat maakt ze zeer menselijk. En daar ligt ook de kracht van Eugen Ruge. Hij beschrijft zijn personages soms komisch, soms tragisch, maar altijd kleurrijk; je voelt de sympathie die hij voor ze koestert. Je wilt meer over ze weten, in meer hoofden duiken en daarom wil je steeds maar doorlezen. Of In tijden van afnemend licht de ultieme Wende-roman is zal de tijd leren. In elk geval heeft Ruge goed aangevoeld dat het om die Wende zelf, de eigenlijke gebeurtenis, niet zozeer gaat; belangrijker is het ervoor en erna.

5 Maart 2013

De Geus, 2012
Oorspronkelijke titel In Zeiten des abnehmenden Lichts, 2011
Vertaald uit het Duits door Josephine Rijnaarts





Comments

In Patagonia is Bruce Chatwin’s first book and still his most popular. Perhaps because it’s most clearly a travel book. Where The Songlines is already getting pretty philosophical, In Patagonia is still rooted in the conventions of the travel genre. A young Western man sets off to an exotic, unknown land where people are strange (to him) and the scenery is beautiful. The classic example is Robert Byron’s The road to Oxiana (1937), about the author’s journey from the Middle East to India.
Bruce Chatwin decided to travel through Patagonia (some parts Argentina, some parts Chile) towards the southernmost tip of South America. His initial goal is to locate the place where the remains of a giant sloth were dug up. Chatwin’s great uncle once sent home a piece of its skin, saying it belonged to a brontosaurus. As a young boy Chatwin was always intrigued by the strange piece of leathery skin in his grandmother’s house and decided he would one day travel to its land of origin, Patagonia. My version of In Patagonia was published in Germany so, while the text is in English (with interesting German footnotes), the afterword is completely in German. I’m not sure I understood this afterword completely, but I did manage to follow some of the editor’s points. Interestingly, he compares Chatwin’s search for that ancient brontosaurus (that turns out to have been a giant sloth) to Jason and the Argonauts’ quest to retrieve the Golden Fleece.
So much for the mythical context of In Patagonia. In reality, Chatwin seems much more concerned with the current state of affairs in Patagonia. During the Seventies both Argentina and Chile were struggling with various dictatorships, so politics are never far away. Mixed with this modern background, though, is a constant sense of nostalgia for the period around the turn of the century, the days when a lot of farmers settled in these foreign lands and desperados from the United States roamed around. Chatwin likes to refer to his great uncle and his contemporaries, but the people he talks to also like to bring up memories of their grandparents’ time.
In Patagonia is written within the context of other books. To illustrate the clash between European and other cultures Chatwin refers to Shakespeare’s The Tempest and Gulliver’s travels. To give a sense of the strangeness surrounding this place that has often been described as the end of the world he refers to Coleridge’s The rime of the ancient mariner and The narrative of Arthur Gordon Pym by Edgar Allan Poe. Another famous precursor is of course Charles Darwin, who in The voyage of the Beagle described many of the things Chatwin saw again a century later.
I’m not sure if I’ll pick up another Bruce Chatwin book anytime soon since they are quite ‘full’, but I do feel like checking out some of the references from In Patagonia. Luckily Chatwin wrote only a small oeuvre, so reading all of his works is still a realistic option.

27 December 2012

Phillipp Reclam, 2003
Originally published 1977






Comments (2)
 

reading now


Categories