Er is iets gekanteld. Jarenlang beschouwde ik het woord autobiografisch als iets negatiefs. Nog steeds heb ik meer bewondering voor auteurs die een verhaal compleet verzinnen. Je toevlucht nemen tot je eigen leven voelt als een zwaktebod. Niet genoeg fantasie voor een verzonnen verhaal, dan maar putten uit de eigen biografie, afgezaagd natuurlijk. In mijn afkeer van autobiografische romans heb ik alles op één hoop gegooid en me er vervolgens van afgewend. Dit draai ik nu terug.

Meer en meer kom ik erachter dat literatuur niet per se fictief hoeft te zijn. Hoewel mijn favoriete boeken nog altijd romans zijn, komen daar de laatste tijd ook boeken bij die daar niet tussen horen: de reisverhalen van Chatwin en Kapuscinski, de essays van Orwell en Luiselli. Dagboeken, memoires, reisverslagen, brieven, er zijn eindeloos veel manier om over jezelf te schrijven.
Veel beroemde dichter en denkers hebben naast bekende romans ook autobiografische werken geschreven die de moeite waard zijn: de brieven van Flaubert, de memoires van Vladimir Nabokov en Patti Smith, de dagboeken van Thomas Mann, Virginia Woolf, Sylvia Plath, Mihail Sebastian of Maarten ’t Hart. Rousseau is zelfs het bekendst om zijn Bekentenissen, net als Paustovskij om zijn meerdelige memoires.

Waarom deze uitwijding over autobiografieën? Dat komt door Elias Canetti. Beroemd vanwege zijn vroeg verschenen roman Het martyrium en het filosofische werk Massa en macht. Het is echter zijn autobiografie die hem in 1981 de Nobelbrijs voor Literatuur bezorgt. Ik las hiervan het eerste deel, De behouden tong, over zijn eerste zestien jaar. Canetti komt uit een rijke, kosmopolitische familie van Sefardische joden en wordt in 1905 geboren in Roetsjoek, Bulgarije. Zijn vader overlijdt vroeg, waardoor zijn moeder gedurende de rest van zijn jeugdjaren verreweg de belangrijkste persoon in zijn leven wordt. Zij sleept Canetti en zijn broertjes door Europa; via Engeland en Oostenrijk belanden ze uiteindelijk in Zwitserland. De jonge Canetti moet veel, maar kan ook veel, zodat hij op zijn achtste al vijf talen spreekt en op zijn elfde al de stukken van Shakespeare doorneemt met zijn moeder. De behouden tong biedt een fascinerend inkijkje in de jeugd van een schrijver in spe. Het is openhartig en gedetailleerd – verbazingwekkend hoeveel Canetti zich herinnert – en wisselt perfect tussen het beschouwende perspectief van de latere schrijver Canetti en het levendige perspectief van de jonge Elias.

Aangestoken door dit meesterlijke autobiografische schrijven wil ik zo spoedig mogelijk verder in het vervolg, De fakkel in het oor. Hoe vergaat het Canetti tijdens zijn studiejaren in Duitsland en Oostenrijk? Wie ontmoet hij allemaal en hoe ontwikkelt hij zich tot schrijver? Zoals Canetti zelf in De behouden tong enkele malen een epifanie beleeft en zijn blik ineens voorgoed gewijzigd weet, zo zijn mijn ideeën over lezen veranderd na dit boek. Ineens opent zich een heel nieuw te ontdekken gebied in de literatuur.

24 Juli 2013

De Arbeiderspers, 1981
Oorspronkelijke titel Die gerettete Zunge, 1977
Vertaald uit het Duits door Theodor Duquesnoy







Comments (2)
 

reading now


Categories