When he was 18 years old Patrick Leigh Fermor made a walking tour across Europe, in the early 1930’s. Crossing the North Sea on board a Dutch ship he started walking from Hoek van Holland and went all the way to Istanbul, carrying just a backpack and a walking stick. Forty years later he wrote two books about this journey, A time of gifts and Between the woods and the water. The second book, which largely takes place in Hungary and Romania, I’d already come across in Jaap Scholten’s Kameraad baron. Scholten, and many others before him, were intrigued and impressed by Leigh Fermor’s descriptions of Europe before the destructions of the Second World War and the rise of communism.

Leigh Fermor had chosen a perfect time for his walk. Traces of the old Europe, from before the First World War, could still be found everywhere and people were more than willing to tell tales about a seemingly more innocent time. The young Leigh Fermor must have been a charming, unimposing young man who, luckily enough, spoke some German and French. Wherever he went people put him up for the night without a fuss. Often, while walking, he got into conversation with farmers or huntsmen, who always managed to recommend him to acquaintances in a neighbouring village. Occasionally, he even ended up in a manor house, at the fireside of an ancient noble family who, fascinated by this young Englishmen’s quest, immediately announced all their friends along the route of his approach. Rather friendly times it seems.

The itinerary of A time of gifts follows the Rhine and the Danube, through Holland, Germany, Austria and Czechoslovakia, and ends with crossing the Danube into Hungary. Bigger cities such as Munich, Vienna and Prague call for longer descriptions, but Leigh Fermor seems most at ease out in the country. Cities offer friendship, culture, the occasional replenishment of a purse that seems to empty by itself, and of course warmth (rather masochistically, Leigh Fermor sets off on his journey in the middle of December and only after crossing half of snow-covered Europe comes upon spring in Hungary).

Walking alone, however, there is ample time to muse on history, language, literature and art, ideally in connection with a nearby castle, monastery or church. It is bemusing to read Leigh Fermor’s enthusiastic descriptions of an old monastery, with a lonely Dominican monk as his guide. The view, the light, the styles of construction, the patience of the builders, the boldness of the designer, the memory of a long-forgotten abbott or bishop; all put together can trigger a lyricism that can go on for pages. Amazing how much someone is able to see in one building. Leigh Fermor shows a huge interest both in culture and people and is, even at such a young age, already highly educated.

Clearly, you shouldn’t forget that what you read has been edited by the mature Patrick Leigh Fermor. Nevertheless, A time of gifts is interesting to read on a variety of levels: for the actual travelling, but also the time, the history and especially the language. It is not for nothing that these two books get mentioned so highly. Leigh Fermor really does write travel literature. If you turn a blind eye on his occasionally florid descriptions it is rather beautifully written, in a high British style. This means long sentences with many sub clauses that can be highly rewarding once you manage to find your way through them. My one complaint would concern my edition of the book, an otherwise nicely printed New York Review of Books Classic: if you do publish a classic travel book, do at least include a map! I managed to find a map that shows the route from Vienna to Budapest, which you can see below.
 
I hope to read the sequel, Between the woods and the water, soon enough, especially because that part deals with Eastern Europe, the area that interests me most.

18 August 2013

New York Review Books, 2005
Originally published 1977



Comments

Volgens mij kwam Stalin uit Georgië. Net als de voormalige spits van Ajax, Shota Arveladze. Het moet een onherbergzaam land zijn, met sympathieke mensen, stel ik mij zo voor. Het grootste deel van de 20e eeuw hoorde Georgië bij de Sovjet-Unie. In die tijd speelt dit boek. Het is 1983. Het communisme in Oost-Europa en Rusland is aan zijn laatste decennium bezig, maar op dat moment lijkt het voor de mensen nog eeuwig te duren. Een groep Georgische jongeren is het zat. Zij willen spijkerbroeken dragen, vrijuit de liefde bedrijven en goeie sigaretten roken. Hiervoor moeten ze naar het vrije Westen. Om dit doel te bereiken besluiten ze een vliegtuig te kapen, de piloten te dwingen in een niet-communistisch land te landen en van daaruit de vrijheid op te zoeken. Helaas faalt dit plan jammerlijk.
De Georgische schrijver Dato Turashvili, zelf deelnemer aan de studentenprotesten van 1989, besloot het verhaal van deze noodlottige vliegtuigkaping op te tekenen. Ik ben blij dat hij dat gedaan heeft en, bovendien, dat een Nederlandse uitgever het heeft laten vertalen. Zo kunnen wij vrije Nederlanders het verhaal lezen van deze wanhopige jongeren, idealistisch maar naïef, die iets voor ogen hadden dat ook in 1983 al voor het grijpen leek. Een korte, aangrijpende episode uit de nadagen van de USSR.

25 Juni 2013

Cossee, 2013
Oorspronkelijke titel Djinsebis taoba, 2008
Vertaald uit het Georgisch door Ingrid Degraeve




Comments

Ik had behoefte aan een goed non-fictieboek en kwam uiteindelijk uit bij Geert Maks laatste, Reizen zonder John. Hoewel ik het boek toen het uitkwam links heb laten liggen, was het nu precies wat ik zocht. Iets in de categorie prettig geschreven non-fictie, liefst met het een en ander aan geschiedenis erin verwerkt; vermakelijk én informatief. Ik had natuurlijk uit eerdere ervaring al kunnen weten dat je bij Geert Mak goed zit. Niet dat hij bloedstollende thrillers of fenomenale literatuur schrijft; hij doet het wat kalmer aan. Mak is een verteller, die niet alleen zijn eigen verhaal maar vooral ook dat van anderen kwijt wil. De tussenliggende ruimte vult hij op met leerzame historische uiteenzettingen.
In Reizen zonder John maakt Mak een rondreis door de Verenigde Staten, in de voetsporen van John Steinbeck, de bekende schrijver van Of mice and men en The grapes of wrath. Steinbeck reed in 1960 in een jeep door de VS, samen met zijn hond Charley, op zoek naar het Amerika van die tijd. Dit resulteerde in het reisboek Travels with Charley. Precies 50 jaar later, in 2010, doet Geert Mak deze reis over, op zoek naar de ziel van het huidige Amerika, maar ook naar die van Steinbeck. Een interessante methode om te laten zien wat er in de tussentijd allemaal veranderd is. Mak verweeft vakkundig zijn eigen observaties met die van Steinbeck, met als rode draad de teloorgang van small town America. Tijdens zijn tocht vermeed Steinbeck meestal grote steden. Hij voelde zich meer op zijn gemak op het platteland en in kleine stadjes. Veel van die kleine stadjes, ooit bloeiende gemeenschappen, zijn tegenwoordig verloederd. Banen werden schaars, mensen vertrokken, de middenstand verdween; wat overbleef is vaak een lege huls, vergane glorie. Amerika is nog altijd de grootste economie ter wereld, maar van het karakteristieke Amerikaanse optimisme dat in 1960 nog alomtegenwoordig was is weinig meer over.
Toch is Reizen zonder John geen pessimistisch boek, integendeel. Zo roemt Mak bijvoorbeeld het eeuwige vermogen van de Amerikanen om opnieuw te beginnen. Pak gewoon je spullen en probeer het ergens anders nog een keer is het credo; verfrissend pragmatisch. Het is duidelijk dat Mak een zwak heeft voor dit land en voor de vele gewone, hardwerkende mensen die hij tegenkomt (rijke mensen komen eigenlijk niet aan bod in het boek). Hij verwijst gretig naar de vele schrijvers die hem voorgingen in het beschrijven van Amerika. Met name de boeken van de journalist David Halberstam spraken mij hiervan aan. Maar bovenal maakt Reizen zonder John me nieuwsgierig om zelf eens dat immense land te verkennen, waarvan ik tot nu toe slechts steden heb gezien. Juist op het platteland is veel te zien. Dus huur een jeep en get your kicks on route 66.

3 Mei 2013

Atlas Contact, 2012



Comments

De Indonesische onafhankelijkheid van Nederland doet hier nog altijd stof opwaaien. Onlangs nog bood de Nederlandse staat zijn excuses aan voor de oorlogsmisdaden die zijn begaan in het Javaanse dorp Rawagede. Dat er tijdens de twee Politionele Acties die het Nederlandse leger eind jaren 1940 uitvoerdde in Indonesië nog meer oorlogsmisdaden zijn begaan is inmiddels duidelijk, maar het heeft lang geduurd voor dit boven tafel kwam. Nog in de jaren 1990 werd schrijver Graa Boomsma tweemaal aangeklaagd door de Nederlandse staat, wegens smaad, naar aanleiding van zijn boek De laatste tyfoon.
In dit boek vertelt Boomsma het verhaal van zijn vader, die ruim twee jaar lang deel uitmaakte van de Nederlandse bezettingsmacht in Indonesië. Zoals vele van zijn medesoldaten vertelde Boomsma’s vader vrijwel niets over zijn ervaringen toen hij weer terug was in Nederland. Toch probeert Boomsma te achterhalen hoe het voor zijn vader geweest moet zijn. Om als jonge man, amper bekomen van de Tweede Wereldoorlog, een nieuwe oorlog in te duiken aan de andere kant van de wereld. Zijn eenheid bestond uit vrijwilligers, stellig ervan overtuigd dat ze de opstandige Indonesiërs in een paar maanden wel weer in het gareel zouden krijgen. Zij belandden echter in een bloedige guerilla-oorlog die pas na enkele jaren door zeer grote internationale druk van buitenaf werd beeindigd.
In zijn hoedanigheid van historicus weet Boomsma zijn vaders gangen in grote lijnen na te gaan. Voor alles wat daartussenin ligt – wat zijn vader echt meemaakte op Java – gebruikt hij zijn verbeelding. Vandaar dat Boomsma zijn boek zelf ook een roman noemt. Ondanks de gruwelijkheden waarvan Boomsma’s vader getuige is – martelingen, standrechtelijke executies, verkrachtingen, alles door beide partijen overigens – maakt Boomsma ook duidelijk dat dit de belangrijkste jaren in het leven van zijn vader waren. Alles in Indonesië is extremer: kleuren, hitte, smaken, maar ook vriendschap, liefde en haat. Terug in het kille Nederlandse polderlandschap is het moeilijk weer te aarden. Het weemoedige gevoel naar een paradijselijk Indië kwam ik onlangs ook al tegen in Bougainville van F. Springer, terwijl de gruwelijkheden tijdens de Politionele Acties werden aangestipt in Oorlogsparadijs van Nico Dros.
Door de soms wat onoverzichtelijke wisselingen tussen historisch-informatieve passages en passages waarin zowel Boomsma’s vader als hijzelf in beeld komen las De laatste tyfoon soms wat moeizaam, maar het onderwerp is hoe dan ook interessant genoeg om een boeiend boek op te leveren. Verder zijn er vele Indië-boeken waar ik voor de toekomst een keuze uit zou kunnen maken, want ik bleek hier niet zoveel vanaf te weten. Ook spreekt het onlangs verschenen Zwarte canon van Chris van der Heijden me aan, over de minder geslaagde momenten uit de Nederlandse geschiedenis.

22 Maart 2013

Van Gennep, 2012
Oorspronkelijk verschenen 1992




Comments

Ik was al een tijdje geleden in dit boek begonnen en had het toen weggelegd. Westermans eerdere boeken, Ingenieurs van de ziel en De graanrepubliek zijn me goed bijgebleven – zeker de eerste – maar El Negro en ik begon me te warrig. Het boek gaat over de zoektocht naar El Negro, een opgezette Afrikaan in een Spaans museum. Westerman raakt gefascineerd door deze Afrikaanse man en probeert te achterhalen hoe dit inmiddels genant bevonden museumstuk ooit in Europa verzeild geraakt is. Wie was El Negro? Westerman wisselt deze zoektocht af met fragmenten uit zijn eigen leven. Hij wilde ooit ontwikkelingswerker worden en kwam tijdens zijn studie in Jamaica en Peru. In zijn latere carrière als journalist komt hij voor een reportage ook terecht in het door burgeroorlog geteisterde Sierra Leone.
In eerste instantie raakte ik door deze uitstapjes de draad kwijt van het boek. Pas nadat ik El Negro en ik voor een tweede keer ter hand nam begon ik te begrijpen waarom Westerman voor deze fragmentarische opbouw heeft gekozen. Het gaat niet zozeer om El Negro zelf, maar om meer algemene zaken als kolonialisme, ras en slavernij. El Negro is Westermans aanleiding om verschillende van zijn interesses met elkaar te verbinden. De observaties uit zijn eerdere leven, die soms twintig jaar eerder spelen, laten zien hoe die interesses zijn onstaan.
De daadwerkelijke zoektocht naar El Negro vond ik de minst interessante stukken in het boek opleveren. Juist waar Westerman uitwaaiert, persoonlijke observaties koppelt aan eerdere reizigers en wetenschappers, daar wordt het interessant. Zo maakt hij melding van Saartjie Baartman, de ‘Hottentot Venus’, bij leven een circusattractie waar het publiek gretig op af kwam (voornamelijk vanwege haar uit de kluiten gewassen achterwerk), na haar dood geprepareerd en bewaard als wetenschappelijk curiosum. De passage over de Duitse apotheker in Zuid-Afrika, die begin 19e eeuw een zojuist begraven Afrikaanse vrouw opgraaft en haar stoffelijk overschot ingepekeld in een ton naar Europa stuurt, sprak ook erg tot de verbeelding, hoe gruwelijk ook. Het hoofdstuk in Sierra Leone bracht goede herinneringen terug aan The shadow of the sun van Ryszard Kapuscinski, een boek waar vele Afrikaanse burgeroorlogen in voorkomen.
Westerman heeft op het einde van zijn zoektocht, in Zuid-Afrika, ook een ontmoeting met Antjie Krog, wier werk ik nog niet bekend mee ben, maar waar ik wel nieuwsgierig naar werd. Naast deze schrijfster kreeg ik zin om ouder werk van V.S. Naipaul, J.M. Coetzee en Mario Vargas Llosa te lezen, plus The memory of love van Aminatta Forna, een recente roman die in Sierra Leone speelt. En, als laatste, misschien nog wat meer van Frank Westerman zelf.

Aanraders uit El Negro en ik:
    Antjie Krog – Country of my skull
    V.S. Naipaul – A bend in the river
    Mario Vargas Llosa – De geschiedenis van Alejandro Mayta
    Joseph Conrad – Heart of darkness
    Claude Lévi-Strauss – Het trieste der tropen
    Eduardo Mendoza - De stad der wonderen
    Ryszard Kapuscinski – Ebbenhout / The shadow of the sun

28 Febuari 2013

Atlas, 2005
Oorspronkelijk verschenen 2004













Comments

(oorspronkelijk gelezen 26-10-2011) (citește în română)

Naar aanleiding van Kameraad baron hebben we in september 2012 een reis door Transsylvanië gemaakt, met de auto. We bezochten enkele plaatsen die Jaap Scholten ook aandoet in zijn boek. Maar hoe kom je na het lezen van een boek tot een daadwerkelijke reis?
In het begin moest ik nogal wennen aan het onderwerp. “Een reis door de verdwijnende wereld van de Transsylvaanse aristocratie”, zoals de ondertitel luidt, deed mijn hart niet onmiddelijk sneller kloppen. Ik kreeg pas zin om het boek te lezen toen Jaap Scholten, samen met Ernest van der Kwast, een avond verzorgde onder de naam Baron Tandoori (Tandoori naar het boek van Van der Kwast, Mama Tandoori). L., die er ook bij was die avond, raakte enthousiast, kocht Kameraad baron en wist onmiddelijk een mooie opdracht door Jaap Scholten te versieren. Zij las het en spoorde mij aan hetzelfde te doen.
Kameraad baron behandelt drie periodes uit de geschiedenis van de Transsylvaanse aristocratie: voor, tijdens en na het communisme. De scheidslijn valt op 3 maart 1949, als in één nacht alle grootgrondbezitters door de communisten worden opgepakt, hun land wordt onteigend en ze een verplichte huisvesting krijgen. Scholten spreekt vele leden van de voormalige Transsylvaanse adel; mensen die 1949 zelf nog hebben meegemaakt en hun nakomelingen. Via de oudste overlevenden hoort hij hoe hun leven was voor de oorlog en de komst van de communisten. Transsylvanië viel na de Eerste Wereldoorlog toe aan Roemenië, maar de aristocratie was nog grotendeels van Hongaarse origine. Zij leefden in weelde, in paleizen en landhuizen, en stonden in hoog aanzien bij de lokale bevolking. Door de Tweede Wereldoorlog was hier al weinig meer van over; velen probeerden te vluchten voor de oprukkende Russen. Maar na die nacht in 1949 was alles voorgoed voorbij. Ieder die van adel was en dus tot de staatsvijandige grootgrondbezitters werd gerekend door de communisten kreeg een Domiciliu Obligatoriu toegewezen, een verplichte verblijfplaats waar zij niet vandaan mochten en zich elke ochtend moesten melden. Sommigen werden elders tewerkgesteld, zoals bij het beruchte Donau-Zwarte Zeekanaal, maar de meesten verbleven onder erbarmelijke omstandigheden in enkele steden in Transsylvanië. Vaak in een vochtige kelder met het hele gezin, terwijl ze voor bijna geen enkel werk meer in aanmerking konden komen.
Scholten spreekt een aantal overlevenden van deze periode – eigenlijk alleen nog maar vrouwen, de mannen zijn veelal in werkkampen omgekomen – in de steden Cluj en Târgu Mureş. Ook bezoekt hij enkele voormalige familiebezittingen, landgoederen en huizen. Sommigen proberen hun familiegrond weer terug te claimen van de Roemeense staat, of in elk geval het familiehuis, voor zover dat nog overeind staat. Het zal niemand verbazen dat dit zeer lastig is. Vele zaken lopen al jaren, maar meestal zonder succes.
Dit alles maakt Kameraad baron tot een weemoedig boek, waarin nostalgie naar een verloren tijd wordt afgewisseld met cynisme over de huidige situatie. Ik vond het echter ook een inspirerend boek. Om een en ander met eigen ogen te zien verbleven we enkele dagen in Cluj en Târgu Mureş (Koloszvár en Marosvásárhely in het Hongaars), de twee steden in Transsylvanië die Jaap Scholten ook veelvuldig aandoet, omdat daar enkele van de oudste nog levende leden van aristocratische families wonen. Wandelend over oude pleinen en straten proef je nog een beetje de veelzijdige, multiculturele sfeer die er honderden jaren gehangen moet hebben. Nog altijd woont hier een grote groep Hongaren en spreken veel mensen zowel Roemeens als Hongaars (hoewel het spreken van de andere taal soms gepaard gaat met enige weerzin). Tevens bezochten we het Bánffy kasteel, dat een aantal keer in het boek ter sprake komt. Ooit een beroemd paleis, inmiddels een tamelijk deprimerende ruïne. Het wordt weliswaar gerestaureerd, maar niemand weet tot wanneer hier nog geld voor beschikbaar is. Zeker op zo’n plek is de weemoed uit het boek goed te begrijpen.

het Bánffy kasteel

Logischerwijs, gezien zijn onderwerp, neemt Scholten eerder een pro-Hongaars dan een pro-Roemeens standpunt in. Uit angst voor eventuele represailles door voormalige Securitate-leden heeft één van Scholtens oudste bronnen hem daarom verboden het boek bij haar leven in het Roemeens te laten vertalen. Zo is het een geschiedenis die nog altijd voortleeft. Ook ik wil me er nog wat meer in verdiepen en heb inmiddels de vorig jaar vertaalde klassieker Geteld, geteld van Miklós Bánffy klaarliggen, met een voorwoord van Jaap Scholten.

de centrale boulevard in Târgu Mureş

3 Februari 2013

Uitgeverij Contact, 2011
Oorspronkelijk verschenen 2010








Comments (1)

Een tip van een collega, die dacht dat dit wel iets voor mij zou zijn. Dat had ze goed ingeschat, want het boek beviel me zeer goed. Oorlogsparadijs is een klassieke roman, zowel qua vorm als stijl. Een man van middelbare leeftijd kijkt terug op zijn tijd als arts op Texel, tijdens de Tweede Wereldoorlog. Flarden van herinneringen verontrusten hem dusdanig dat hij besluit terug te keren naar het eiland. Hier is hij sinds de oorlog, bijna twintig jaar geleden, niet meer geweest. Langzaam komen alle herinneringen terug en volgt het in flashback vertelde verhaal van zijn oorlogsjaren.
Aan het begin van de oorlog bevind de arts zich in Amsterdam, waar hij betrokken raakt bij een verzetsgroep. Nadat er na een mislukte verzetsactie een prijs op zijn hoofd is gezet moet hij Amsterdam ontvluchten. Onder een valse identiteit wijkt hij uit naar Texel. Vanwege zijn strategische ligging is Texel tot sperrgebiet verklaart, wat betekent dat het vrijwel van de buitenwereld is afgesloten. Hoewel er bijna dagelijks vliegtuigen overvliegen om Duitsland te bombarderen, verlopen de oorlogsjaren er betrekkelijk kalm. Er is wel een Duitse bezettingsmacht aanwezig, maar die gebruiken hun verblijf voornamelijk om uit te rusten voordat zij naar het front worden gestuurd. In het laatste oorlogsjaar komt aan deze rust een einde als een Georgisch bataljon op Texel wordt ingekwartierd. Krijgsgevangen gemaakt door de Duitsers tijdens hun campagne in Rusland zijn zij ingelijfd in de Wehrmacht en op een Nederlands eilandje verzeild geraakt. Het gaat mis als dit Georgische bataljon te horen krijgt dat zij spoedig naar het front zullen worden gestuurd. Ze gaan tot muiterij over en ontketenen een ware guerillaoorlog op Texel.
Vanaf dit punt, ongeveer halverwege het boek, loopt de spanning flink op. Ineens zit je midden in de oorlog en, hoewel de strijd van korte duur is, is het er niet minder heftig om. De arts, die enkele hachelijke momenten meemaakt in het noodhospitaal waar hij werkzaam is, zit er middenin. Als de rook is opgetrokken en hij het eiland halsoverkop verlaten heeft is zijn leven onherstelbaar veranderd.
Nico Dros maakte van dit verhaal een zeer goede roman, die bij vlagen erg spannend is. Maar, niet alleen qua plot vind ik Oorlogsparadijs geslaagd, misschien vooral ook qua taal. Dros gebruikt een welhaast tijdloos Nederlands, waarin sommige woorden en uitdrukkingen tegenwoordig ouderwets zijn, zonder dat dit afleidt. Het past uitstekend en creeërt een prettige sfeer, als je er na ongeveer een bladzijde aan gewend bent. Toen het flashback-verhaal eenmaal echt begon had het boek me in zijn greep en las ik het in een paar avonden uit. Zo zie je, van de collega’s moet je het hebben.

27 Januari 2013

Van Oorschot, 2012



Comments

Het eerste wat me opviel toen ik aan Alleen in Berlijn begon was het prettige taalgebruik van Hans Fallada. Het boek is een klassieker, uitgegeven in een klassiekersreeks, en dat creeërt al bij voorbaat een beeld. Nog voordat ik één regel had gelezen hing er in mijn hoofd al het label aan van zware kost. Dus schoot er een gevoel van opluchting door me heen toen ik na een paar regels merkte dat Fallada zijn onderwerp trouw was gebleven: een boek over gewone mensen in oorlogstijd dat ook door gewone mensen te lezen valt.
Het begin en einde van Alleen in Berlijn zijn bekend; je hoeft er de flaptekst maar voor na te lezen. Toch weet Fallada meteen spanning in zijn verhaal op te bouwen. Hoewel het boek ruim 450 bladzijden telt zit het strak in elkaar. We volgen, buiten het echtpaar dat de hoofdrol speelt, enkele andere personages die steeds tegen wil en dank met elkaar te maken krijgen. Het is duidelijk wie goed is en wie slecht, maar het mooie is dat Fallada zijn personages zo menselijk beschrijft dat je ook voor een aantal ‘slechte’ figuren sympathie krijgt. De scènes met de kruimeldief Borkhausen en uitvreter Enno Kluge deden me vaak denken aan De lotgevallen van de goede soldaat Švejk; sympathieke klunzen die in de ene na de andere klucht terecht komen. Dit soort comic relief is ook wel nodig, want het hoofdverhaal in Alleen in Berlijn is tamelijk tragisch. Dat de verzetsactie van het echtpaar Quangel onherroepelijk tot de dood zal lijden voelen ze zelf wel aan, maar ze hadden zich van het effect meer voorgesteld. Het punt is echter duidelijk, hoe zinloos verzet tegen een totalitair regime ook is, überhaupt in verzet komen is het belangrijkste.
Hans Fallada heeft goed aangevoeld dat hij met dit waargebeurde verhaal wat moest doen. Hij schreef Alleen in Berlijn haast onvoorstelbaar snel in acht weken, maar stierf vlak daarna. Terecht dat het boek onlangs is herontdekt, want het is een tijdloos werk dat draait om de eeuwig relevante vraag ´Wat zou jij doen?’.

12 Januari 2013

Cossee, 2010
Oorspronkelijke titel Jeder stirbt für sich allein, 1949
Vertaling 1949 A. Th. Mooij; volledig herzien door A. Habers





Comments

(Originally read 6 February 2011)
This might just be my favourite book. Regrettably, I read this during a time I'd stopped writing down my thoughts about books. It should be interesting to see what I can come up with almost two years afterwards. Because this book holds special memories for me I felt it couldn't be left unmentioned. So here goes, what makes this my favourite book?
First, I have a very clear recollection of how I started it. We were on a short sailing trip to Altea in Spain in the beginning of the year. In Holland it was still cold, but there the Spanish spring was already in the air during the afternoons. No wind that day, so we waited at the harbour. Most sailors then start talking shop, in other words, talk about sailing endlessly. This bores me. Luckily I'd taken my book along. I hadn't even started it yet, so I took a seat behind some boats (in the sun of course) and opened The thousand autumns of Jacob de Zoet.
Sometimes you read a book and you know after only a few pages: this is going to be perfect. Jacob de Zoet immediately felt good. I don't suppose I got very far that particular afternoon, what with bored sailors coming around for a chat and having to politely fend them off; I'm reading here! But like I said, the start was already very promising. You should probably say that this book takes some time to get into. David Mitchell has his own unique style - in this case having to portray Dutchmen speaking their language in an English book, an interesting dilemma I can tell you - and that always requires some extra thought. Fortunately, with every thought, you make this new world your own and start to understand it better. What's ideal about this is that main character Jacob de Zoet, a young Dutchman sent out to a very small island-colony off the coast of Japan, also has to understand a new world. This immediately creates a strong bond between reader and character. With this learning-game you get lured into the first part of the book, which is all about Jacob de Zoet discovering the island Dejima, getting to know his countrymen but especially coming into sparse contact with some of his Japanese neighbours. Their different cultures is what it's all about.
Halfway through the book the perspective suddenly shifts. Jacob de Zoet is put on hold, so to say, and we now follow his Japanese friend Orito, a disgraced midwife who's locked up in a mountain monastery. Here the plot takes a sharp turn and starts building up steam. Orito has to be freed and, what's more, English invaders threaten to capture Dejima from the Dutch. Once you reach this second part it's almost one rush to the end. Needless to say this makes for an exciting read.
What doesn't this book have? There's love, friendship, betrayal, war and corruption where two opposite cultures interact and clash. Personally I loved reading about such an obscure but highly interesting part of Dutch history (written by an Englishman!) and especially enjoyed some of the colonial battle scenes between the Dutch and the English (then again, I'm a sucker for war scenes). The nice thing is, however, that another reader might very well care more for Orito's predicaments in the monastery or her and Jacob's Japanese friend who tries everyting to get to her. In other words, there's something for everybody in this book, that's what I strongly believe.
I realize I've used quite a few words to come to this conclusion, but I hope this clarifies my decision somewhat to name this website after Jacob de Zoet and why I go on about this book so much. I'm almost scared to read more by David Mitchell now. Although with a movie of his preceding book Cloud atlas in the cinemas I should certainly like to try.

21 November 2012

Sceptre, 2010




Comments (4)

Na Stefan Brijs, Pat Barker en Koen Koch moest dit de climax worden van mijn korte hausse aan WO I boeken. En dat werd het ook. Het is misschien wel het bekendste WO I boek dat ooit is geschreven en terecht ook, denk ik. Eigenlijk niks dan lof: gruwelijke scènes en kinderlijke frivoliteit achter het front wisselen elkaar haast willekeurig af, met daartussenin veel bespiegelingen over het hoe en waarom van dat alles. Dit werkt veel beter dan alleen maar die gruwelijkheden achter elkaar te zetten. Zo blijft het verrassend en schokkend wanneer er weer een bekende sneuvelt, hoewel dit van tevoren allang vaststond. Ik had ook een veel dikker boek verwacht, maar het was slechts 200 bladzijden; perfecte lengte wat mij betreft.
Het zet me wel tot denken dat ik ook een bepaalde manier erg kan genieten van oorlogsboeken. Net als bij Matterhorn moest ik bij dit boek soms huiveren van alle nutteloosheid, maar óók om het hoge actie-gehalte eraan. Volgens mij hetzelfde gevoel al dat wat thrillerlezers zoeken. Het bizarre is dat Remarque zoiets totaal niet voor ogen moet hebben gehad. Dat ik Remarque's anti-oorlog boodschap toch inzie lijkt me wél weer goed, maar ik moet ook toegeven dat ik al weer aan een volgend oorlogsboek denk (bijv. The yellow birds van Kevin Powers).
NB. Ik heb dit boek gelezen in de oude versie van mijn vader, wat de oorspronkelijke vertaling uit 1929 bleek te zijn. Heb nog aan de nieuwe vertaling van eind jaren '80 gedacht, maar vond dit juist wel geschikt. En het feit dat mijn vader deze editie al een paar maal vóór mij had gelezen gaf het ook wat extra waarde.

31 Oktober 2012

Erven J. Bijleveld, 1982
Oorspronkelijke titel Im Westen nichts Neues, 1929
Vertaald door Annie Salomons





Comments
 

reading now


Categories