Een boerenkar, getrokken door twee paarden, rijdt door het bos. Aan de leidsels een Tsjechische vrouw, een weduwe, haar man is de dag ervoor omgebracht door de Duitsers. Zij hebben de oorlog allang verloren en proberen de oprukkende Russen voor te blijven. Twee andere Duitsers hebben de vrouw die ochtend gesommeerd hen met haar wagen naar huis te rijden, door de bossen richting Wenen. De vrouw zint op wraak en neemt in het geheim een bijl mee. Ze laat de wagen eindeloos rondjes rijden door het bos, zonder dat de twee Duitse soldaten het merken. Eén van de Duitsers ligt zwaargewond op de kar, de ander is nog een melkmuil en heeft niks in de gaten.

Een drietal personages, een wagen, het bos, een bijl, benieuwd of de schrijver met deze beperkte middelen de spanning in het verhaal weet te houden. Procházka verbindt de wraakgevoelens van de vrouw met haar diepgewortelde geloof; zal God het haar toestaan om de bijl op te pakken tegen deze twee Duitsers die haar in feite niks gedaan hebben? Ondertussen vordert de dag, de zon stijgt en begint weer te dalen, de natuur in het bos bloeit en ruist. In de verte wordt geschoten, maar hier zijn ze alleen.

Het alsmaar rondrijden door het bos, de brandende zon, de besluiteloze vrouw met haar bijl; Procházka creeërt een surrealistische sfeer waardoor de dag in het bos een leven lang lijkt te duren. Er komt een onvermijdelijke ontknoping, zo hoort dat natuurlijk, maar voor mijn gevoel rijden de vrouw en de twee Duitsers nog altijd door dat bos in Oost-Tsjechië. Dat beeld hou ik vast.

2 Maart 2014

Wereldbibliotheek, 2011
Oorspronkelijke titel Kočár do Vídnĕ, 1967
Vertaald uit het Tsjechisch door Herbert van Lynden



Comments
 

reading now


Categories