Mira Feticu (Breaza, 1973) debuteerde in 1993 in Roemenië met een dichtbundel, maar legde zich daarna toe op het schrijven van verhalen. In haar geboorteland werkte ze als radiomaker en publicist. Als een van de weinigen interviewde ze Herta Müller voor de radio toen er nog nauwelijks iemand in de latere Nobelprijswinnares was geïnteresseerd. Haar huwelijk bracht Mira Feticu naar Nederland, waar ze na een worsteling met het land en de taal in het Nederlands begon te schrijven. Op 18 april 2013 verscheen De ziekte van Kortjakje.
(bron www.mirafeticu.nl)

Interview met Jacob de Zoet, april 2014

Wie ben je?

De laatste jaren is het enige antwoord dat mij een soort rust geeft tijdens slapeloze nachten, dat ik de moeder van mijn dochter ben!

Sinds wanneer schrijf je? Was er een moment dat je dacht, nu ben ik een schrijver?

Je bent al schrijver voordat je je eerste boek publiceert. Waarom? Omdat jouw oog anders ziet dan andere ogen; omdat je een week lang op een zin blijft kauwen en je de obsessie hebt om een detail uit te werken tot een hele puzzel. Ik herinner me hoe geweldig ik me voelde in mijn studententijd toen mijn favoriete docent mij complimenteerde dat ik het oog van een schrijver heb.
Toen ik zeven jaar oud was, heeft mijn vader me een keer geholpen om een verhaal te schrijven over een konijn. Hij maakte er zo’n mooi verhaal van dat ik enorm jaloers op hem werd. Ik zag het konijn helemaal voor me. En dat doe ik nog steeds. Dat was het beslissende moment, waarop ik precies wist wat me te doen stond. Van het gesprek met mijn vader heb ik geen detail vergeten. Ik weet nog precies op welke stoel hij toen zat en waar hij mee bezig was; ook de kleur van de stoel, het moment van de dag, zijn blik en mijn emoties: ik wou ook zo mooi kunnen vertellen!
In Roemenië, bij het verschijnen van mijn tweede boek, wist ik dat ik nooit meer zou kunnen stoppen met schrijven. De wetenschap dat je door een klein verhaal de harten van zoveel mensen kunt bereiken, zoveel kracht in een zin kunt leggen, had me voorgoed veroverd. In een boek kun je zeggen wat je misschien nooit in het echt zou doen, maar wat wel in je hersenen speelt. En door te schrijven geef je een stem aan wie geen stem heeft of geen kans heeft om gehoord te worden.

Schrijf je spontaan, op inspiratie, of hou je een strak ritme aan?

Inspiratie is als een orgasme bij seks: altijd welkom, maar niet vereist. Schrijven is belangrijker dan wachten op inspiratie. Maar oefening baart kunst. En je hebt, inderdaad, goede dagen en slechte dagen bij het schrijven.

Schrijf je alleen nog maar in het Nederlands of ook in het Roemeens? Hoe is het om in een taal te schrijven die niet je moedertaal is?

Mijn eerste Nederlandse korte verhaal heb ik geschreven na het bijwonen van een lezing van Kader Abdolah. Ik heb toen tegen mezelf gezegd: wat hij kan, kan ik ook. Ik voelde toen, vijf jaar geleden, een enorme ontlading en in trance heb ik toen een kort verhaal vol seks en geweld geschreven, dankbaar voor elk Nederlands woord dat in mij opkwam. Ik had daarvoor al wel gedichten in het Nederlands geschreven, vrij snel na mijn komst hier, na drie jaar, met weinig woorden, haiku’s bijna, maar wel in het Nederlands. Achteraf beschouwd was het een overlevingsproces, denk ik, als je drie jaar nadat je een nieuwe taal begint te leren, in die taal gedichten gaat schrijven.
Mijn journalistieke werk (columns, artikelen) bevat geen enkel Roemeens woord en dat vind ik een heel interessant verschijnsel. Als journalist ben je direct verbonden met de werkelijkheid en ook de taal die ik gebruik, is de taal van die werkelijkheid. De hersenen zijn wonderlijk, ze leggen wel degelijk een verband tussen taal en geografie. Ik heb wel moeite om van taal te switchen; het gaat dus niet spontaan als ik het over mijn verleden heb, mijn verre (sic!) verleden in mijn geboortedorp. Alsof de taal een gps-signaal is, heeft de Nederlandse taal geen bereik in mijn dorp. Maar gaan schrijven in het Nederlands was een bewuste beslissing en ik weet nog steeds niet zeker of dat geen zelfmoord is. Immers, de taal waarin je schrijft verandert je. De werkelijkheid hier heeft een ander mens van mij gemaakt, samen met de taal.
Vanochtend kwam onze dochter ons, mijn man en mij, een bizar plaatje uit een tijdschrift laten zien, iets met een reuzenrad. ‘Oh, mijn God!’ zei ik in het Nederlands. ‘Doamne fereste!’ was de Roemeense reactie van mijn Nederlandse man. Dezelfde tekst, maar in verschillende talen. Een andere taal spreken dan je moedertaal is iedere dag is een heel interessant fenomeen.
Ik hoor mezelf weleens Nederlandse woorden in de mond van mijn 200% Roemeense moeder leggen, wanneer ik iets over haar vertel. Dat is dan zo ongeloofwaardig, in werkelijkheid kan ze alleen een net ‘nee’ zeggen, maar in mijn manier van denken anno 2014, in het Nederlands, kan het gewoon. Dat doet een nieuwe taal met je, hij verandert je werkelijkheid. Ik ben nieuwsgierig wat voor toekomst we zullen hebben, de Nederlandse taal en ik, want voorlopig wonen we samen, maar zijn we niet getrouwd.
Maar ik droom nog altijd dat ik een opdracht uit Roemenie krijg om een lang stuk in het Roemeens te schrijven.
Ik ben heel hard geweest met mezelf toen ik vijf jaar geleden een echtscheiding tussen mij en mijn taal aanvroeg, om verder te gaan met de Nederlandse taal. Niet dat de Nederlandse taal beter dan mijn Roemeense is, maar ik leef nu hier en ik citeer nu dus uit Couperus en niet meer uit Creanga. De journalist in mij heeft de taal gekozen, ik leef connected en ik wil mijn gedachten kunnen uitspreken in de taal die iedereen hier spreekt. Maar bidden doe ik in het Roemeens, als ik alleen ben. Vrijen doe ik in het Nederlands. Dromen in beide talen.
Ofwel: schrijven in een nieuwe taal is net een huwelijk: je werkt er iedere dag aan.

In welke taal lees je het liefst? Zijn er Roemeense auteurs waarvan je vindt dat ze absoluut in het Nederlands vertaald moeten worden, maar dat nu nog niet zijn? En andersom, uit het Nederlands?

Zeventig procent van wat ik lees, is in het Nederlands. De Nederlandse literatuur leerde ik al kennen in Roemenië. Al in Boekarest las ik, negen jaar geleden, Margriet de Moor, Leon de Winter, Cees Nooteboom.
Andersom, ja, zou ik zo graag willen dat iedereen hier in de Roemeense literatuur geïnteresseerd raakt. Maar dat zit er niet in, helaas, we gaan niet verder dan de stereotype Dracula, de skimmers, en ja, al is het niet iedereen, Ceaușescu. Ik vertel altijd met veel enthousiasme over de mooie cultuur die het Roemeense volk heeft en die het ook verdient om bekend te worden!
De laatste jaren in Roemenië was ik helemaal in de ban van gevangenisliteratuur en memoires, getuigenissen van dissidenten en politieke gevangenen. Mijn dorst is nog niet gelest, dat soort boeken zou ik graag in het Nederlands vertaald willen zien. Ik ben een groot fan geweest en gebleven van het Roemeense equivalent van wat hier de ‘Privé-Domein’-reeks heet. Doina Jela, Monica Lovinescu, Virgil Ierunca waren namen die ik negen jaar geleden las.

Wat zijn de belangrijkste boeken in je leven?

Op mijn werktafel liggen altijd Yourcenar, Gombrowicz, Borges. Alle drie hebben ze mijn leven veranderd, ik lees ze en herlees ze met het gevoel dat ik ze persoonlijk heb gekend. Het is voor mij plausibeler dat Gombrowicz morgen bij me op de koffie komt dan dat ik morgen de tram neem en een aardig gesprek met Wilders heb (hij woont niet ver bij mij vandaan, heb ik begrepen).
Lees de boeken van Yourcenar, wat een open geest! Lees haar interviews met Matthieu Galley, die zij gaf vlak voor haar dood! God moet heel trots op zichzelf zijn geweest nadat hij haar geschapen had! In een ander leven zou ik graag brood voor haar willen bakken en in een hoekje bescheiden naar haar zitten luisteren! De Yourcenar van haar laatste jaren draag ik voor altijd in mijn ziel: haar liefde voor de natuur, voor elk schepsel van God, haar liefde voor de armen, voor degenen die het NIET gemaakt hebben in het leven (een gevoel dat je in Nederland niet op alle straten tegenkomt).
Ik voelde me gemakkelijker in het leven nadat ik Gombrowicz heb leren kennen. Anders zijn, jezelf accepteren, geen doek over je tekortkomingen trekken, Anders, Anders, Anders durven te zijn! Zijn dagboek heb ik gelezen als een Bijbel. Ik heb gehallucineerd dat ik hem zag en sprak. Ik zou verbaasd zijn als we elkaar tegenkwamen en hij me niet herkennen zou! (Hij is allang dood, hoor, ik weet het.)
En Borges met zijn gedichten, korte verhalen en essays.

‘Ik heb de grootste van de zonden die er zijn
bedreven. Ik was niet gelukkig. Mogen
de gletsjers van het vergeten mij het ravijn
in sleuren, wissen, zonder mededogen.’

Wat kan er nog meer zijn?

Ik hou ook van Edward Said (‘Ontheemd’), Berberova, Malamud, Julia Kristeva, maar mijn eerste liefde is Homerus. Ik ken steeds minder verzen uit de ‘’Ilias’’ uit mijn hoofd (in het Roemeens), maar dat heeft alleen met mijn geheugen te maken. Mijn liefde voor hem is volledig intact en voor het leven.

Welke hedendaagse schrijvers heb je hoog zitten?

Ik lees met belangstelling Alain de Botton. Met een zekere jaloezie lees ik de werken van Marja Pruis, ooit wil ik een biografie schrijven zoals Marja Pruis heeft gedaan. Zij zou verplichte lectuur voor studenten moeten zijn en niet alleen voor studenten Letteren. Hoe zij haar ‘onderwerp’ van de biografie ziet, hoe zij hem terug naar het leven brengt! Haar boeken houden mijn enthousiasme voor de Nederlandse literatuur in leven, ze is een aanwinst op mijn lijst. Ik zou graag haar willen zijn om een biografie te kunnen schrijven over een Roemeense dichteres die na de Roemeense Revolutie zelfmoord pleegde.

Nog twee namen: Rascha Peper en Sanneke van Hassel.

Hoe dichtbij komen je eigen boeken voor jou?

Eenmaal gepubliceerd zijn ze niet meer van mij. Wel door mij geschreven, maar ter adoptie aan de lezer afgestaan. Daarom begrijp ik de vergelijking ‘dat een boek je kind is’ niet. Een boek is immers een product dat je aan vreemden geeft. Anderzijds blijven het mijn boeken, ze handelen over mijn eigen Roemenië en mijn eigen angsten en trauma’s, dromen en hopen. Ze blijven een deel van mij. Deels zijn ze ook autobiografisch, maar de vrouw in mijn boeken is niet dezelfde als degene die nu de woorden schrijft. Ik ben heel blij dat de boeken gelezen worden, ik ben elke lezer dankbaar, wie hij ook is. Van alle feedback die ik heb gekregen, heb ik nu twee reacties in mijn hoofd: iemand schreef me dat hij in zijn leven alleen de Bijbel en mijn boek ‘De ziekte van Kortjakje’ heeft gelezen. En een ander schreef dat hij het boek, na tot pagina 60 te zijn gekomen, na zoveel seks, bij het vuilnis heeft gegooid, maar dat hij van mij wel graag meer zou willen horen over mijn Roemenië. Een andere lezer, met wie ik intussen bevriend ben geraakt, vertelde me dat hij door ‘De ziekte van Kortjakje’ heeft begrepen hoe “grenzeloos en toch beheerst” ik eigenlijk ben. Dus je schrijft en publiceert een boek en door de lezer komt het boek steeds naar jou terug.

Voor welk boek, behalve die van jou, moeten we nu allemaal naar de winkel rennen?

Mooi dat je zegt ‘behalve die van jou’. Want ja, als je iets anders dan Dracula wil weten over Roemenië moet je mijn boeken lezen!
Ik zou altijd in de rij staan voor de volgende, naast natuurlijk Yourcenar, Gombrowicz, Borges: Ljoedmila Oelitskaja, Max Blecher, Ilf en Petrov, Ismail Kadare, Italo Calvino, Marina Tvetaeva, Flaubert, Berberova, Almudena Grandes.
Maar wie leest moet echt beginnen met Homerus, ik noemde hem al, met Dante en met het Gilgamesj-epos. Hoe kun je literatuur lezen als je geen Dante hebt gelezen?
De laatste jaren lees ik meer non-fictie dan fictie en ik herlees meer dan ik lees. Veel geschiedenis, psychologie. Mijn appetijt voor geschiedenis is weer een verworvenheid van de laatste jaren.

Wat doe je het liefst als je niet schrijft?

Alsof ik eerst schrijf en daarna leef. Nee, eerst leef ik, eerst vivere deinde philosophari: ik heb een dochter, man, hond, kat, mijn werk in de bieb. Maar als mijn man boos op me is, zegt hij weleens dat ik alleen maar aan het schrijven ben. Als ik dat hoor ben ik trots op mezelf, want ja, ik wil iedere dag kunnen schrijven. Dit is een droom, mijn droom: iedere dag twee uur schrijven! Maar om te kunnen schrijven moet je kunnen leven, anders maak je een origami met letters.
Ik heb lange gesprekken met mijn dochter van 11, laat de hond uit, luister hoe de eenden in het water springen, ik kook, ruim op, maak plannen, werk in de bieb, zit op de bank met mijn man wanneer ons dat lukt en ja, ik probeer iedere dag te schrijven, zeker 3-4 dagen per week!

Wat brengt de toekomst voor Mira Feticu?

Ik hoop: gezondheid om veel boeken te kunnen schrijven!
En… binnenkort rond ik mijn derde boek af!

Bibliografie:

2012     Lief kind van mij (De Geus)
2013     De ziekte van Kortjakje (De Geus)
2014     Nieuw boek gepland


















Comments

Een jong echtpaar komt naar Nederland om hier een bestaan op te bouwen. Hij heeft werk, zij vindt werk, beiden leren de taal. Zij verlangt terug naar huis, naar Roemenië, toen er nog liefde was tussen hen. Ze groeien uit elkaar. Gefrustreerd begint zij een verhouding met een oudere Nederlandse man. Toch blijft zij hunkeren naar haar echtgenoot, naar een kind dat nooit komt. Een kind zou hen weer bij elkaar brengen denkt zij.
Met de dilemma’s van de immigrant heeft Mira Feticu een goed thema te pakken. Van alle tijden en tegelijkertijd actueel. Vele mensen komen naar Nederland, in het hoop het hier beter te krijgen dan thuis of gewoon om een paar jaar te werken. Hun dromen en ambities, hun strijd met het nieuwe land; dit is herkenbaar en interessant.
In haar boek De ziekte van Kortjakje stipt Feticu dit onderwerp veelvuldig aan, maar het vormt niet het hoofdonderwerp. De zoektocht naar liefde vormt de kern van het boek. Feticu’s hoofdpersoon zoekt naar liefde bij haar man. Als hij haar meer en meer negeert raakt ze gefrustreerd. Hij vindt juist dat zij zich hysterisch gedraagd en dat hij haar daarom juist negeert. De vrouw als hysterische harpij, de man als gevoelloos blok steen; een gedateerd archetype als je het mij vraagt, of blijft zoiets eeuwig houdbaar?
Feticu neemt geen blad voor de mond. Met de openingszinnen zet ze gelijk de toon: “Sinds twee jaar masturbeer ik elke dag in het geheim (ook als ik ongesteld ben, dan vooral). Daarbij denk ik aan vreselijke dingen, aan ongelukken, de dood. Ik vinger mezelf tot er bloed stroomt en ik niet meer op mijn kont kan zitten, totdat de straal urine ongecontroleerd uit me gutst.” De ondertitel van het boek luidt ‘lust, liefde en eenzaamheid’ en dat wordt hier effectief in één ranzig beeld getroffen. Het is alsof de schrijfster eerst een voorselectie onder haar lezers wil houden: weet je zeker dat je verder wilt in dit boek?
Ik vind het mooi dat Mira Feticu, die zelf vanuit Roemenië naar Nederland is gekomen, in het Nederlands is gaan schrijven. De volmaakte integratie zou ik zeggen. Maar het kan nog wel een stuk beter. De ziekte van Kortjakje is niet mijn boek, dat is duidelijk. Ik hoef niet per se een heel boek lang in het hoofd van een seksueel gefrustreerde vrouw te zitten. Feticu heeft echter wel degelijk een eigen stem, die wat mij betreft het beste tot uiting komt wanneer ze herinneringen beschrijft uit Roemenië; wandelingen door de stoffige straten van Boekarest, een eigenzinnige grootmoeder die verhalen vertelt en de communisten vervloekt. Hier wil ik graag meer over lezen.

2 Juni 2013

De Geus, 2013



Comments
 

reading now


Categories