Soms is een boek net een fles wijn. Je moet het eerst een tijdje laten liggen, alvorens je eraan begint. Dit om de smaak ervan nog beter tot zijn recht te laten komen. Toen het boek uitkwam was het nog te jong, maar nu, een paar jaar later, is het tijd om het uit de kast te trekken. Laten we het daarom eens over boeken uit 2012 hebben.

De twijfelboeken uit dat jaar ben ik inmiddels wel vergeten. Waar ik nu nog steeds mee rondloop zijn de boeken die zich twee jaar geleden in mijn hoofd genesteld hebben en daar blijven zeuren. Door ouderdom (lees: vergeetachtigheid) en nieuwe-boeken-geweld worden dat er steeds minder. De boeken die overblijven zijn tamelijk hardnekkig en moeten dus waarschijnlijk wel de moeite waard zijn. Ik geef u even een lijstje boeken uit 2012 die ik nog altijd wil lezen, gewoon omdat het kan:

Ian McEwan Sweet tooth
Etgar Keret Verrassing
Cesare Pavese & Bianca Garufi Het grote vuur
Miklós Bánffy Geteld, geteld
Christopher Clark The sleepwalkers
Alejandro Zambra Manieren om naar huis terug te keren
Anton Valens Het boek Ont
Anna Seghers Transit


Dat brengt me op het 2012-boek dat deze gedachtekronkel veroorzaakte. Ik las al de prachtige verhalenbundel Naar de stad die Sanneke van Hassel samenstelde met Annelies Verbeke. Zelf publiceerde ze omstreeks die tijd ook een eigen bundel verhalen, een beetje stilletjes eigenlijk, Ezels genaamd. 15 verhalen, 124 pagina’s, beetje suf omslag. Maar mooi. Elke avond een verhaal lezen, heb je het in twee weken uit. Mooi motto ook, van Vasalis:
           
            De zomerwei des ochtends vroeg.
            En op een zuchtje dat hem droeg
            vliegt een geel vlindertje voorbij.

            Heer, had het hierbij maar gelaten.

Van Hassels verhalen zijn van die gele vlindertjes. Momenten van geluk of vertwijfeling, die misschien achteraf wel uniek zijn. Bepalend voor een leven, of losstaand op zichzelf, zonder gevolgen. Even een greep beginzinnen: ‘Op sommige dagen spreekt Cheng alleen bouwvakkers.’ ‘Voor het eerst sinds maanden ben ik van huis.’ ‘Ook al was hij de veertig al ruim gepasseerd, toch liet hij nog graag zijn auto slippen.’ Of, simpeler: ‘Godzijdank, we zitten bij de nooduitgang.’ Eén zin kan genoeg zijn. Wil je door, wil je niet door? Laten we maar eens zien wat er verder komt.

Soms gaat er een onweerstaanbare kracht uit van een hele alinea. Zoals in het verhaal ‘Indian time’, een van de beste in Ezels. Dat verhaal begint zo:

De lange bank was leeg. Ze ging zitten en legde haar vest naast zich neer. Al dagen was het warm. De blaadjes van de platanen filterden de zon amper. Angstwekkend, hoe het groen zich maandenlang verscholen had gehouden en nu toesloeg. Alles schoot de grond uit. Groeien, ze wilde dat het trager ging, dat je eraan kon wennen. Elke maand ordende ze de kasten van de kinderen, haalde de te klein geworden kleren eruit, selecteerde ze, bracht een deel naar de bak op de hoek, bewaarde weer te veel. (p. 15)


Simpele zinnen toch? Niks bijzonders eigenlijk. Een vrouw gaat zitten op een bank in het park. Haar uiterlijk wordt nergens beschreven en toch zie ik haar zo voor me. Sterker nog, ik ken deze vrouw, ik weet wie ze is. Wij kennen allemaal wel zo’n vrouw. Ergens in de dertig, een baan, kinderen, altijd een beetje moe. Even een momentje rust, in het park. Maar ja, iemand gaat haar rust natuurlijk verstoren. Dat kunnen we wel raden. Anders zou er geen verhaal zijn. Wat gaat er gebeuren? En we lezen door.

Sanneke van Hassel zit ondertussen ook niet stil. Onlangs verscheen er weer een nieuw boek van haar hand, Hier blijf ik. Verhalen met foto’s, of foto’s met een verhaal erbij, ik ben er nog niet helemaal achter. Het zou zomaar weer twee jaar kunnen duren voor ik eraan toekom. Dat geeft niet, het boek wacht wel.

7 December 2014

De Bezige Bij, 2012
124 pagina's





Comments (2)

Is het korte verhaal aan een opmars bezig? Ik hoop het. Onlangs werd de Nobelprijs voor de Literatuur uitgereikt aan Alice Munro, een schrijfster wier oeuvre hoofdzakelijk bestaat uit korte verhalen. Denk je aan Alice Munro dan denk je aan het korte verhaal. Door deze prijs denken opeens veel mensen aan Alice Munro en dat is goed.

In Nederland heeft het korte verhaal zich nog nooit enige respectabele positie verworven. Nog altijd is de reactie van het merendeel der lezers er een van misprijzen, wanneer men ze een bundel aanbeveelt. Zodra blijkt dat het hier niet om een roman gaat wendt men het hoofd iets af en trekt een zuinig mondje, waarop je als de wiedeweerga met een superieure roman op de proppen zal moeten komen of de aandacht is voorgoed verloren. Dit heeft te maken met prestige en gewenning. Het korte verhaal heeft in Nederland geen status en men is het genre niet gewend. Boeken moeten het traditioneel hebben van lovende recensies (liefst in de boekenbijlagen van de Volkskrant of NRC Handelsblad) of van mond-op-mond reclame, zij het via familie en vrienden of een enthousiast praatje bij De Wereld Draait Door. Via deze kanalen hoort men weinig over korte verhalen, waardoor te weinig mensen ze lezen en waardoor er ook nooit enige gewenning zal optreden. Kortom, een ondoorbreekbare vicieuze cirkel.

Maar klopt dit traditionele korte-verhaal-doemdenken nog wel? Lovende besprekingen van verhalenbundels komen wel degelijk met regelmaat in de kranten en betrof niet een van de allersuccesvolste DWDD aanbevelingen de verzamelde verhalen van Isaak Babel? Ook worden er regelmatig bijeenkomsten en avonden georganiseerd, geheel gewijd aan het korte verhaal. De spin in het web heet veelal Sanneke van Hassel. Zij organiseerde al enkele succesvolle korte verhaal bijeenkomsten onder de noemer ‘Hotel van Hassel’ en vorig jaar stelde zij samen met de Belgische schrijfster Annelies Verbeke de bloemlezing Naar de stad samen, een dikke bundel hedendaagse stadsverhalen door internationale auteurs. Bekende namen als Haruki Murakami, Jhumpa Lahiri, Tobias Wolff , Roberto Bolaño en Javier Marias (van wie, toegegeven, Murakami de enige echt bekende is), maar ook volstrekt onbekende auteurs als Mehmet Zaman Saçlıoğlu, Gyrðir Elíasson, Nikos Panayotópoulos of Henrietta Rose-Innes, van wie alleen al hun namen mooi klinken. Een goede mix, tussen bekend en onbekend, gevestigde namen en aanstormend talent en ook tussen alle verschillende continenten. De stad is de rode draad. De stad, vaak groot en onmenselijk, veroorzaakt vaak vervreemding of angst, maar biedt ook de mogelijkheid tot onverwacht contact en warmte. Het voordeel van het korte verhaal hierbij is dat je de mogelijkheid hebt vele steden te betreden in korte tijd. Je springt van Berlijn naar Kaapstad en van Tokio naar Mexico-Stad, een wereldreis in een uur of twee.

De enige auteurs waar ik eerder iets van las waren Murakami, Yves Pagès en Chimamanda Ngozi Adichie. En, hoewel ik ruim een jaar over Naar de stad heb gedaan – zo iets moois moet je tenslotte niet overhaasten – voel ik mij toch in korte tijd verrijkt. Zoveel nieuwe namen, zoveel ijsbergen waarvan je weliswaar alleen een topje hebt kunnen zien, maar waarvan je toch een idee van de contouren hebt gekregen. Voor veel van deze auteurs zal het waarschijnlijk bij dit verhaal blijven, maar van sommigen zal ik zeker meer gaan lezen. Alejandro Zambra, Roberto Bolaño, Lydia Davis, Colm Tóibín en Jhumpa Lahiri liep ik al langer mee rond. Murakami is men vaak zó enthousiast over, dat ik altijd bang ben geweest aan zijn werk te beginnen; onterecht, zo bleek. Van Adichie las ik inmiddels de hele bundel, met plezier. De bundels van Wells Tower en Etgar Keret wil ik ook graag lezen. Verder blijven mij bij de verhalen van Mehmet Zaman Saçlıoğlu, Olga Tokarczuk, Arkadi Babtsjenko, Henrietta Rose-Innes, Tobias Wolff, Asef Soltanzadeh en Yiyun Li.

Waren het dan allemaal goede verhalen? Dat niet. Ali Smith kan ik me weinig van herinneren, Gyrðir Elíasson, Nikos Panayotópoulos en Petina Gappah zullen niet blijven hangen en de vehalen van A.L. Kennedy, Carlos Fuentes, A.M. Homes, Anatoli Gavrilov, Kevin Canty en Pip Adam vielen me eigenlijk tegen, zeker gezien ik van een aantal van hen goede dingen had gehoord. Javier Marias, Anne Enright, Judith Hermann, ook allen bekend, maar ik betwijfel of ik nog meer van hen zal lezen. Dit geeft helemaal niet. Integendeel, het is juist prettig. Het mooie aan zo’n bloemlezing is dat je er ideëen uit opdoet, positieve én negatieve. Ik blijf enthousiast over het korte verhaal, als kennismaking maar ook als op zichzelf staande literaire vorm. Die verstoorde doe-mij-astublieft-een-roman blik zal hoogstwaarschijnlijk blijven, maar met zo’n boek als Naar de stad zou iedereen te overtuigen moeten zijn.

13 November 2013

De Geus, 2012




Comments
 

reading now


Categories