Soms heb je een auteur waar je ineens alles van wilt lezen. Eén boek smaakt naar meer en voor je het weet zit je wekenlang een heel oeuvre bij elkaar te lezen. Zo had ik ooit een Philip Roth-fase, een Virginia Woolf-fase (hoewel, eerlijk toegegeven, dat lag aan een vak dat ik destijds volgde), om nog maar te zwijgen van de Harry Potter-fase. Ik weet zeker dat als ik Harry Potter and the Philosopher's stone erbij zou pakken, ik de hele serie zo weer van voren af aan zou gaan lezen. Heerlijk. Gelukkig liggen die boeken veilig opgeborgen.

Afgelopen november en december had ik ineens iets nieuws; geen auteur deze keer, maar een plek had mijn aandacht: de Wadden. Ik was begonnen in een Wadden-klassieker, Het raadsel van de Wadden van Erskine Childers. Een Engelse avonturenroman uit 1903 die, gezien het opvallende gebrek aan vaart en spanning, de tand des tijds niet zonder kleerscheuren is doorgekomen. Toch is het een fascinerend verhaal en nog waargebeurd ook. Twee Engelse jongens maken met hun zeilboot een pleziertocht door de Duitse Waddenzee en langs de Deense kust. Ze komen een Duits spionagecomplot op het spoor en moeten het uiterste van hun moed en zeemanschap eisen om die informatie veilig naar hun thuisland te krijgen. Nogmaals, zeer vlot leest Het raadsel van de Wadden zeker niet, maar door alle nautische wederwaardigheden en de originele locatie tussen de Duitse wadden-eilanden, raakte ik op een bepaalde manier toch geïnspireerd. Ik wilde verder over de Waddeneilanden lezen.

Ik liep al een tijd rond met het idee De Wadden van Mathijs Deen eens te lezen. Nu had ik het perfecte excuus. Een ideale samenloop van  omstandigheden, achteraf gezien, want De Wadden werd een van de beste boeken die ik het afgelopen jaar las. Vermakelijk, informatief en zeer goed van stijl; Mathijs Deen weet in het boek de perfecte balans te vinden tussen smakelijke anekdotes en een goed doortimmerd historisch verslag. De Wadden is het verhaal van het Waddengebied, eilanden en zee, van de Oudheid tot nu. Prettig om te lezen en, bovendien, zet het je onmiddelijk aan tot een eigen bezoek aan de Wadden.

Zo gezegd, gedaan. Een paar dagen in een huisje op Texel, en wie kun je dan beter meenemen dan de Texelse schrijver Nico Dros? Ook hij had een boek dat nog op mijn lijstje stond, een verhalenbundel deze keer, met de aparte titel Langzaam afbouwen op deze planeet. Zeer geschikte Texelse lectuur, hoewel Dros lang niet overal het niveau haalt van Oorlogsparadijs, zijn historische roman die ik enkele jaren geleden met veel plezier las. Het titelverhaal is me bijgebleven, maar het beste verhaal vond ik met afstand 'Twee dooilingen', wat tevens ook het langste verhaal uit de bundel vormt. Een mooi liefdesverhaal dat zich afspeelt op het zeventiende-eeuwse Texel, als De Koog nog Coogh heet en Den Burg Burgh. Zoals bij de meeste mooie liefdesverhalen loopt het triest af, waarbij de lezer uiteindelijk aan het langste eind trekt. Historisch lijkt Dros op zijn best. Dat past waarschijnlijk ook het beste bij zijn ietwat archaïsche Nederlands. Mij bevalt dat Nederlands van hem uitstekend, dus ik hoop dat hij dat weet vast te houden in de toekomst.

We verlieten Texel weer en daarmee kwam voorlopig een einde aan mijn Wadden-fase. Het is me goed bevallen, zowel qua lectuur als omgeving. Andere auteurs en onderwerpen verdringen zich spoedig om aandacht. Aan te lezen boeken is tenslotte nooit gebrek. Die Wadden zal ik echter spoedig naar terugkeren. Drie van de vijf was ik zelfs nog nooit.

25 Januari 2016

Erskine Childers - Het raadsel van de Wadden
Hollandia, 2014
Oorspronkelijke titel The riddle of the sands, 1903
Vertaald uit het Engels door N. Willems-Dirkmaat
304 pagina's

Mathijs Deen - De Wadden
Thomas Rap, 2015
Oorspronkelijk verschenen in 2013
336 pagina's

Nico Dros - Langzaam afbouwen op deze planeet
Van Oorschot, 2015
185 pagina's







Comments (2)

Dit is een verhaal dat je bijblijft:
een jonge vrouw strandt in de woestijn van Arizona. Ze heeft te lang in de zon gelopen en een gevaarlijke zonnesteek te pakken. Dan doemt er bij het tankstation waar ze is neergeploft een grote man op voor haar neus, een indiaan. Hij lapt haar weer een beetje op en besluit haar mee te nemen in zijn truck. Zonder goede of slechte bedoelingen, gewoon omdat het zo moet zijn. Er lijkt een connectie tussen de vrouw en de indiaan te bestaan, iets ongrijpbaars, maar ze voelen het allebei. Samen staan ze sterker dan ieder voor zich. Als ook de indiaan het verder op hun pad zwaar te verduren krijgt neemt de vrouw de rol van beschermer over. 'Cowboy en indiaan' heet het verhaal.
Eenzelfde onverwachte verbintenis vormt ook de kern van 'Il Comandante', het openingsverhaal van
Vuurpijlen vangen. Een flamboyante oudere man, type Fidel Castro in zijn latere jaren, sluit vriendschap met een zieke vrouw. Ze liggen beiden in het ziekenhuis, maar dat wil niet zeggen dat ze zich lijdzaam bij hun lot neerleggen. Met een gedeelde galgenhumor, die doet denken aan The fault in our stars van John Green, proberen ze er het beste van te maken. Zoals Frida Kahlo het zegt, in het motto voorin het boek: 'I tried to drown my sorrows, but the bastards learned how to swim.' 
Hoe ga je om met tegenslagen?, dat lijkt een terugkerende vraag te zijn voor Karen K
öhler, de Duitse schrijfster van deze fascinerende verhalen. De titel die zij haar bundel meegaf, Vuurpijlen vangen of Wir haben Raketen geangelt in het Duits, geeft al een voorzetje: zoek naar schoonheid, hoewel je er hoogstwaarschijnlijk achter zult komen dat dat uiteindelijk niet helpt. Bij de pakken neerzitten is geen optie, de mens is een overlever en dat bewijst Köhler volop in deze verhalen. Of het nu om een verbroken relatie gaat, of eenzaam wonen in het bos, we kunnen het aan.
Koppig zijn ze, K
öhlers personages, eigenzinnge types die een verhaal kleur geven. Ik proef dat Köhler daar zelf ook wel iets van weg heeft, zo schrijft ze. Met een nuchtere toon en een originele stijl. Een verhaal kan de vorm aannemen van een dagboek, of ansichtkaarten met kattebelletjes voor het thuisfront, alles kan en alles werkt. Het was prettig lezen in Vuurpijlen vangen (mede te danken aan klassevertaler Gerrit Bussink), maar nu is het uit. Helaas.

3 September 2015

Podium, 2015
Oorspronkelijke titel Wir haben Raketen geangelt, 2014
Vertaald uit het Duits door Gerrit Bussink
233 pagina's







Comments

Een tijdlang luisterde ik elke dinsdagochtend om kwart voor negen naar Radio 4. Om die tijd las A.L. Snijders via de telefoon zijn 'ZKV' - Zeer Kort Verhaal - van de week voor, voorafgegaan door een gesprekje met presentatrice Margriet Vroomans. ‘Goedemorgen, meneer Snijders.’ ‘Goedemorgen, Margriet.’ Op de vraag ‘Hoe gaat het met u?’ volgde vaak een langere uitwijding van de schrijver over het weer van die ochtend, de dieren op zijn erf of een opmerkelijk nieuwsfeit wat hiervoor op de radio langs was gekomen. Minuten zijn schaars op de radio en dus moest de presentatrice deze gezellige gesprekjes vaak beleefd afbreken om tot het ZKV over te kunnen gaan. Waarop met sonore, brommerige stem een verhaal werd voorgelezen vanuit een boerderij in de Achterhoek.
Zo’n verhaal, hoewel maar een minuut of vijf lang, gaf mij iets om op te kauwen gedurende de rest van de lange dinsdag. Eén van mijn collega’s was net zo’n trouwe luisteraar als ik, zodat wij onze dinsdagroutine gezamenlijk nog even voort konden zetten bij het koffiezetapparaat. Op een enkele flard na kan ik me van al die ZKV’s niks meer herinneren, behalve de sfeer van rust en regelmaat, de zware stem van Snijders en de lichtere stem van Vroomans en hun wekelijkse chemie samen. Helaas besloot Radio 4 om de programmering overhoop te gooien en de schrijver voortaan op zondagochtend zijn ZKV te laten uitspreken. Dit natuurlijk op een tijdstip dat ongelovigen zoals ik nog niks buiten hun bed te zoeken hebben, dus dit betekende het einde van mijn dinsdagroutine.

Als ik Snijders niet meer kan horen, dacht ik, dan moet ik hem maar lezen en zo kocht ik de eerste bundel waar mijn oog op viel, Ruim water. Dit betreft een verzameling columns die Snijders in 1987 en 1988 schreef voor Het Parool, aangevuld met de brieven die hij tezelfdertijd stuurde naar zijn redacteur bij de krant en enkele andere correspondenten. Ik had niet gedacht dat columns van bijna dertig jaar geleden nog zo goed zouden zijn, maar datering blijkt bij A.L. Snijders eigenlijk niet uit te maken. Ook toen al woonde hij op zijn boerderij in de Achterhoek en het erf en de directe omgeving van het huis komen regelmatig terug in de verhalen. In die tijd werkte Snijders als docent Nederlands op een politieschool, een omgeving waar een taalgevoelig iemand als hij ook de nodige inspiratie uit kan halen. Jeugdherinneringen aan het Amsterdam van de jaren ’40 en ’50 keren regelmatig terug; Amsterdam-Zuid, de Beethovenstraat, ik ben er zelf ook naar school geweest. ‘Ex-schoonzoon’ Flip S., in wie we schrijver Jaap Scholten kunnen herkennen, zorgt voor enkele meer exotische verhalen. Daartussendoor is er altijd de Nederlandse literatuur waar Snijders duidelijk van houdt: Campert, Nescio, Elsschot, poëzie van Martinus Nijhoff, Gerrit Achterberg, Paul van Ostaijen, Rutger Kopland. Internationaal zijn er verwijzingen naar Isaak Babel en Toergenjev, maar verreweg het meest naar J.D. Salinger, een schrijver die Snijders zeer lijkt te bewonderen.
Er staan rijke verhalen in Ruim water, waarin ogenschijnlijk weinig lijkt te gebeuren, maar waar de rijkdom zit in de associaties en de taal. Geen ZKV van A.L. Snijders of ik onderstreep niet minstens twee zinnen die ik weer door zou willen geven.

‘Ik heb bewondering voor mensen die meerdere talen spreken, zelf spreek ik alleen Nederlands, zij het heel behoorlijk.’ (p. 250)

‘Ik heb op ‘Twijg’ meer reacties ontvangen dan gewoonlijk: men vondt het ‘mooi’, ‘gevoelig’, ‘sentimenteel’, mijn ‘mooiste stukje’. Dat spijt me. Zo wil ik niet te boek staan. Ik wil liever onaanraakbaar en absurdistisch zijn. Dadaïsme als enige – persoonlijke – uitleg.’ (p. 106)

9 Februari 2015

Thomas Rap, 2012
288 pagina's





Comments

Nicole Montagne is een ideale gids. Door een stad, een landschap, of langs mensen. Ze observeert, flanerend door de straten, zonder ergens speciaal op te letten. Het gaat haar erom open te staan voor een nieuwe indruk, een plek waar een verhaal aan vastzit, zonder daar al te zeer naar op zoek te zijn. ‘Opzettelijk negeren van wat je geacht wordt te zien’ (p.11).

Om haar eigen associaties op gang te brengen leest en bekijkt Montagne graag het werk van anderen: schrijvers, fotografen, grafici. En daar schrijft ze dan weer over. In Een makelaar in Pruisen vinden we een verzameling van haar stukken, vaak niet meer dan twee of drie bladzijden lang. Afgezien van de intrigerende titel had ik eigenlijk geen aanknopingspunten bij dit boek. Totdat ik Nicole Montagne in gesprek zag met Wim Brands in het tv-programma Boeken (bekijk hier de uitzending). Ze had het over het werk van de hedendaagse fotograaf Julian Germain, die de hele wereld was afgereisd om foto’s van schoolklassen te maken. Lokalen met leerlingen erin, Classroom portraits, maar dan steeds net anders dan je zou verwachten.
Montagne noemde ook de kunstenaar Roman Opalka (1931-2011), wiens levenswerk bestond uit het schilderen van eindeloze reeksen opeenvolgende getallen. Om het verglijden van de tijd te markeren begon Opalka steeds een gradatie wittere cijfers te schilderen op een wit doek, net zo lang totdat hij aan het einde van zijn leven vrijwel wit op wit schilderde. ‘Welverdiend wit’ noemde hij dat.

Fascinerende kunstenaars met fascinerende projecten, Een makelaar in Pruisen staat er vol mee. Vaak begint Montagne bij één kunstenaar om uiteindelijk al associërend bij de kunstenaar uit te komen over wie het stuk oorspronkelijk zou gaan. Soms schrijft Montagne ook over haar eigen leven, veelal in connectie met Tsjechië. Als jonge student grafisch ontwerpen woonde Montagne een tijdlang in het nog communistische Tsjechië. Later keerde ze nog vaak naar dit land terug. Het mistige, mysterieuze Praag is een plek die Montagne haar leven lang blijft fascineren, net als de Tsjechische grafici die ze daar ontmoet. Tsjechische schrijvers als Bohumil Hrabal en Karel Čapek bevolken en kleuren Montagnes gedachtenwereld.
Om elke dag voor even terug te keren naar deze wereld ben ik Een makelaar in Pruisen ’s avonds gaan lezen, in bed. Eén zo’n kort stuk voor het slapen is ideaal, meer hoeft niet. Of het nou verhalen, essays of andere stukjes zijn, dit late lezen wil ik blijven volhouden. Zo kan ik misschien met enige regelmaat enkele van de vele verhalen- en essaybundels lezen die me aanspreken. Op zoek naar meer associaties, opzettelijk negerend wat ik geacht word te zien.


Een schilderij van Roman Opalka uit 1965 (bron: Repeating decimal)



Foto uit Classroom portraits van Julian Germain (bron: Nederlands Fotomuseum Rotterdam)

15 Januari 2015

Uitgeverij Vantilt, 2014
192 pagina's








Comments

Soms is een boek net een fles wijn. Je moet het eerst een tijdje laten liggen, alvorens je eraan begint. Dit om de smaak ervan nog beter tot zijn recht te laten komen. Toen het boek uitkwam was het nog te jong, maar nu, een paar jaar later, is het tijd om het uit de kast te trekken. Laten we het daarom eens over boeken uit 2012 hebben.

De twijfelboeken uit dat jaar ben ik inmiddels wel vergeten. Waar ik nu nog steeds mee rondloop zijn de boeken die zich twee jaar geleden in mijn hoofd genesteld hebben en daar blijven zeuren. Door ouderdom (lees: vergeetachtigheid) en nieuwe-boeken-geweld worden dat er steeds minder. De boeken die overblijven zijn tamelijk hardnekkig en moeten dus waarschijnlijk wel de moeite waard zijn. Ik geef u even een lijstje boeken uit 2012 die ik nog altijd wil lezen, gewoon omdat het kan:

Ian McEwan Sweet tooth
Etgar Keret Verrassing
Cesare Pavese & Bianca Garufi Het grote vuur
Miklós Bánffy Geteld, geteld
Christopher Clark The sleepwalkers
Alejandro Zambra Manieren om naar huis terug te keren
Anton Valens Het boek Ont
Anna Seghers Transit


Dat brengt me op het 2012-boek dat deze gedachtekronkel veroorzaakte. Ik las al de prachtige verhalenbundel Naar de stad die Sanneke van Hassel samenstelde met Annelies Verbeke. Zelf publiceerde ze omstreeks die tijd ook een eigen bundel verhalen, een beetje stilletjes eigenlijk, Ezels genaamd. 15 verhalen, 124 pagina’s, beetje suf omslag. Maar mooi. Elke avond een verhaal lezen, heb je het in twee weken uit. Mooi motto ook, van Vasalis:
           
            De zomerwei des ochtends vroeg.
            En op een zuchtje dat hem droeg
            vliegt een geel vlindertje voorbij.

            Heer, had het hierbij maar gelaten.

Van Hassels verhalen zijn van die gele vlindertjes. Momenten van geluk of vertwijfeling, die misschien achteraf wel uniek zijn. Bepalend voor een leven, of losstaand op zichzelf, zonder gevolgen. Even een greep beginzinnen: ‘Op sommige dagen spreekt Cheng alleen bouwvakkers.’ ‘Voor het eerst sinds maanden ben ik van huis.’ ‘Ook al was hij de veertig al ruim gepasseerd, toch liet hij nog graag zijn auto slippen.’ Of, simpeler: ‘Godzijdank, we zitten bij de nooduitgang.’ Eén zin kan genoeg zijn. Wil je door, wil je niet door? Laten we maar eens zien wat er verder komt.

Soms gaat er een onweerstaanbare kracht uit van een hele alinea. Zoals in het verhaal ‘Indian time’, een van de beste in Ezels. Dat verhaal begint zo:

De lange bank was leeg. Ze ging zitten en legde haar vest naast zich neer. Al dagen was het warm. De blaadjes van de platanen filterden de zon amper. Angstwekkend, hoe het groen zich maandenlang verscholen had gehouden en nu toesloeg. Alles schoot de grond uit. Groeien, ze wilde dat het trager ging, dat je eraan kon wennen. Elke maand ordende ze de kasten van de kinderen, haalde de te klein geworden kleren eruit, selecteerde ze, bracht een deel naar de bak op de hoek, bewaarde weer te veel. (p. 15)


Simpele zinnen toch? Niks bijzonders eigenlijk. Een vrouw gaat zitten op een bank in het park. Haar uiterlijk wordt nergens beschreven en toch zie ik haar zo voor me. Sterker nog, ik ken deze vrouw, ik weet wie ze is. Wij kennen allemaal wel zo’n vrouw. Ergens in de dertig, een baan, kinderen, altijd een beetje moe. Even een momentje rust, in het park. Maar ja, iemand gaat haar rust natuurlijk verstoren. Dat kunnen we wel raden. Anders zou er geen verhaal zijn. Wat gaat er gebeuren? En we lezen door.

Sanneke van Hassel zit ondertussen ook niet stil. Onlangs verscheen er weer een nieuw boek van haar hand, Hier blijf ik. Verhalen met foto’s, of foto’s met een verhaal erbij, ik ben er nog niet helemaal achter. Het zou zomaar weer twee jaar kunnen duren voor ik eraan toekom. Dat geeft niet, het boek wacht wel.

7 December 2014

De Bezige Bij, 2012
124 pagina's





Comments (2)

Zou Thomas Heerma van Voss zich volledig hebben gegeven toen hij deze verhalen schreef? Dat vroeg ik me af bij De derde persoon, zijn nieuwe verhalenbundel. Het zit erin, dat voel je, het lijkt er alleen niet altijd uit te komen bij hem.

Volgens mij draait het om empathie; empathie en nieuwsgierigheid. Doet een personage iets met je? Wil je graag weten hoe het hem of haar zal vergaan in de loop van het verhaal, of niet? In de beste verhalen in De derde persoon slaagt Heerma van Voss hierin. Hij raakt een snaar, hij wekt emotie op. Sommige lezers zouden zelfs een traantje weg kunnen pinken; het zit erin. Het is mooi als een verhaal zoiets kan oproepen.

Een verhalenbundel lezen is eigenlijk een zoektocht, een zoektocht naar effect. Sommige verhalen hebben het niet – dat weet je – maar het gaat om dat ene verhaal dat het wél heeft. Het leuke is dat je dat van tevoren niet weet. Je zult dus alle verhalen moeten lezen om erachter te komen.

De derde persoon
is een boek voor nieuwsgierige lezers. Maak voor jezelf uit welk verhaal het jouwe is. Voor mij was dat “Ik ben hier niet opgegroeid”, over een afstandelijke vader en de liefde die zijn zoon desondanks voor hem voelt. In dit verhaal staan alle lichten op groen, het pakt vanaf de opening. Wie is die vader, wie is die zoon, wat hebben zij met elkaar? Hoe de schrijver uit zo'n kille relatie toch een aangrijpend einde weet te slepen vind ik knap.
Thomas Heerma van Voss kan het, dat blijkt. Soms zelfs erg goed. Hopelijk weet hij dat vast te houden.

20 November 2014

Thomas Rap, 2014
184 pagina's






Comments

Als iedereen elkaars gedachten kon horen, zou de wereld er dan beter uitzien? Op papier misschien wel. In de praktijk zou het doodsaai zijn, om niet te zeggen een gruwel. De spanning in een boek als The Circle van Dave Eggers zit hem in het feit dat je kunt huiveren om een angstaanjagende, maar verzonnen wereld van totale communicatie, terwijl die wereld tegelijkertijd juist zo dichtbij is.

Tot die tijd moeten we het doen met miscommunicatie. Het verschil tussen wat we denken en zeggen en vervolgens tussen wat we zeggen en bedoelen. Dit spanningsveld is waar een schrijfster als Yasmina Reza haar inspiratie uit haalt en met succes. In Gelukkig de gelukkigen volgen we achttien personages die op verschillende manieren met elkaar verbonden zijn. Elk hoofdstuk is geschreven vanuit het perspectief van een van hen. Een voor een kom je ze tegen. Onderling vormen ze ook relaties: een huwelijk of buitenechtelijke relatie, dan wel die tussen ouder en kind of tussen vrienden. Samen vormt het een soort mozaïekboek.

Dat werkt uitstekend. Reza beeldt haarscherp uit hoe het kan dat we van vrienden denken dat ze het perfecte stel zijn, terwijl ze na afloop van een etentje geen woord meer met elkaar spreken in de auto. Omdat je in het ene hoofstuk in het hoofd van iemand zit en in een ander hoofdstuk diegene juist van een afstand kan observeren merk je hoe groot de verschillen kunnen zijn tussen hoe we over ons eigen handelen denken en hoe we overkomen. Mensen hebben vaak de beste bedoelingen, maar uiten zich niet altijd even handig.

Dit leidt vaak tot schrijnende situaties in Gelukkig de gelukkigen, maar even zo vaak tot komische momenten. Reza schetst vele moeizame, stroeve of ronduit maffe dialogen die je zo als kleine toneelstukjes voor je ziet, vaak absurdistisch van toon (ik herinner me de meesterlijke film Carnage, die op één van Reza's toneelstukken gebaseerd is). Tegelijkertijd is de tragiek nooit ver weg. Als je ziet hoeveel moeite het kost, hoeveel pijn een terloopse opmerking kan veroorzaken. Communiceren blijft haast onmogelijk en toch zullen we wel moeten. Gelukkig laat iemand als Yasmina Reza zien dat we daar allemaal last van hebben.

31 Maart 2014

De Bezige Bij, 2014
Oorspronkelijke titel Heureux les heureux, 2013
Vertaald uit het Frans door Eef Gratama
208 pagina's






Comments

Is het korte verhaal aan een opmars bezig? Ik hoop het. Onlangs werd de Nobelprijs voor de Literatuur uitgereikt aan Alice Munro, een schrijfster wier oeuvre hoofdzakelijk bestaat uit korte verhalen. Denk je aan Alice Munro dan denk je aan het korte verhaal. Door deze prijs denken opeens veel mensen aan Alice Munro en dat is goed.

In Nederland heeft het korte verhaal zich nog nooit enige respectabele positie verworven. Nog altijd is de reactie van het merendeel der lezers er een van misprijzen, wanneer men ze een bundel aanbeveelt. Zodra blijkt dat het hier niet om een roman gaat wendt men het hoofd iets af en trekt een zuinig mondje, waarop je als de wiedeweerga met een superieure roman op de proppen zal moeten komen of de aandacht is voorgoed verloren. Dit heeft te maken met prestige en gewenning. Het korte verhaal heeft in Nederland geen status en men is het genre niet gewend. Boeken moeten het traditioneel hebben van lovende recensies (liefst in de boekenbijlagen van de Volkskrant of NRC Handelsblad) of van mond-op-mond reclame, zij het via familie en vrienden of een enthousiast praatje bij De Wereld Draait Door. Via deze kanalen hoort men weinig over korte verhalen, waardoor te weinig mensen ze lezen en waardoor er ook nooit enige gewenning zal optreden. Kortom, een ondoorbreekbare vicieuze cirkel.

Maar klopt dit traditionele korte-verhaal-doemdenken nog wel? Lovende besprekingen van verhalenbundels komen wel degelijk met regelmaat in de kranten en betrof niet een van de allersuccesvolste DWDD aanbevelingen de verzamelde verhalen van Isaak Babel? Ook worden er regelmatig bijeenkomsten en avonden georganiseerd, geheel gewijd aan het korte verhaal. De spin in het web heet veelal Sanneke van Hassel. Zij organiseerde al enkele succesvolle korte verhaal bijeenkomsten onder de noemer ‘Hotel van Hassel’ en vorig jaar stelde zij samen met de Belgische schrijfster Annelies Verbeke de bloemlezing Naar de stad samen, een dikke bundel hedendaagse stadsverhalen door internationale auteurs. Bekende namen als Haruki Murakami, Jhumpa Lahiri, Tobias Wolff , Roberto Bolaño en Javier Marias (van wie, toegegeven, Murakami de enige echt bekende is), maar ook volstrekt onbekende auteurs als Mehmet Zaman Saçlıoğlu, Gyrðir Elíasson, Nikos Panayotópoulos of Henrietta Rose-Innes, van wie alleen al hun namen mooi klinken. Een goede mix, tussen bekend en onbekend, gevestigde namen en aanstormend talent en ook tussen alle verschillende continenten. De stad is de rode draad. De stad, vaak groot en onmenselijk, veroorzaakt vaak vervreemding of angst, maar biedt ook de mogelijkheid tot onverwacht contact en warmte. Het voordeel van het korte verhaal hierbij is dat je de mogelijkheid hebt vele steden te betreden in korte tijd. Je springt van Berlijn naar Kaapstad en van Tokio naar Mexico-Stad, een wereldreis in een uur of twee.

De enige auteurs waar ik eerder iets van las waren Murakami, Yves Pagès en Chimamanda Ngozi Adichie. En, hoewel ik ruim een jaar over Naar de stad heb gedaan – zo iets moois moet je tenslotte niet overhaasten – voel ik mij toch in korte tijd verrijkt. Zoveel nieuwe namen, zoveel ijsbergen waarvan je weliswaar alleen een topje hebt kunnen zien, maar waarvan je toch een idee van de contouren hebt gekregen. Voor veel van deze auteurs zal het waarschijnlijk bij dit verhaal blijven, maar van sommigen zal ik zeker meer gaan lezen. Alejandro Zambra, Roberto Bolaño, Lydia Davis, Colm Tóibín en Jhumpa Lahiri liep ik al langer mee rond. Murakami is men vaak zó enthousiast over, dat ik altijd bang ben geweest aan zijn werk te beginnen; onterecht, zo bleek. Van Adichie las ik inmiddels de hele bundel, met plezier. De bundels van Wells Tower en Etgar Keret wil ik ook graag lezen. Verder blijven mij bij de verhalen van Mehmet Zaman Saçlıoğlu, Olga Tokarczuk, Arkadi Babtsjenko, Henrietta Rose-Innes, Tobias Wolff, Asef Soltanzadeh en Yiyun Li.

Waren het dan allemaal goede verhalen? Dat niet. Ali Smith kan ik me weinig van herinneren, Gyrðir Elíasson, Nikos Panayotópoulos en Petina Gappah zullen niet blijven hangen en de vehalen van A.L. Kennedy, Carlos Fuentes, A.M. Homes, Anatoli Gavrilov, Kevin Canty en Pip Adam vielen me eigenlijk tegen, zeker gezien ik van een aantal van hen goede dingen had gehoord. Javier Marias, Anne Enright, Judith Hermann, ook allen bekend, maar ik betwijfel of ik nog meer van hen zal lezen. Dit geeft helemaal niet. Integendeel, het is juist prettig. Het mooie aan zo’n bloemlezing is dat je er ideëen uit opdoet, positieve én negatieve. Ik blijf enthousiast over het korte verhaal, als kennismaking maar ook als op zichzelf staande literaire vorm. Die verstoorde doe-mij-astublieft-een-roman blik zal hoogstwaarschijnlijk blijven, maar met zo’n boek als Naar de stad zou iedereen te overtuigen moeten zijn.

13 November 2013

De Geus, 2012




Comments

Short story collections are ideal to read alongside other, bigger books. Whenever an empty half hour presents itself you can squeeze in a quick short story. I planned to go slowly with The thing around your neck as well, but as soon as I finished the first story I wanted to go on. From outbursts of sudden violence in Nigeria to domestic drama in the United States, Adichie makes it all come alive. Her narration is warm and gentle and, although a lot of gruesome things happen to them, she is very sympathetic to her characters. She portrays sensitive people who try to keep control of their lives. They usually face an external threat that creates both the action in the story and the reader’s immediate sympathy. Each story works that way from the first page; after a few paragraphs you feel involved and curious.
“Cell one”, “A private experience”, “Jumping monkey hill” and “The headstrong historian” are the strong stories in this collection, but the title story and “The American embassy” stand out especially. “The American embassy” I’d already come across in the Dutch anthology of modern city stories Naar de stad; its quality the reason I wanted to try a whole collection of Adichie’s stories.
The title story portrays the alienation a young immigrant feels as she struggles to find her place in the promised land of opportunity, America. She finds a boyfriend and slowly settles in, but when she contacts her family after a few months it turns out her father has died in the meantime. Suddenly realizing her new life in America didn’t feel right all along she boards a plane back home, probably never to return. After being impressed by her novel Half of a yellow sun already, The thing around your neck again showed Adichie’s excellent writing. I can’t wait for her new book Americanah to come out.

8 April 2013

Fourth Estate, 2009



Comments

De Russische Bibliotheek van Uitgeverij Van Oorschot, wie kent haar niet? Het verzameld werk van klinkende namen als Dostojevski, Tolstoj, Toergenjev, Gogol en Tsjechov. Veel boeken die ik graag zou willen lezen, maar van die kloeke delen gaat ook iets angstaanjagends uit. Degene die hieraan begint moet sterk in zijn schoenen staan. Misschien is dit iets wat de uitgever vaker gehoord heeft, want ter ere van het zestigjarig bestaan van de Russiche Bibliotheek zijn onlangs ook enkele kleine boekjes verschenen, ideaal als introductie tot een imposant oeuvre.
Ik las het boekje De kus, van Anton Tsjechov. Jaren geleden las ik van hem al het toneelstuk Drie zusters, maar zijn wereldberoemde korte verhalen kende ik nog niet. Ik merkte gelijk waarom Tsjechov tot de beste verhalenvertellers wordt gerekend. Met een paar zinnen zet hij een wereld neer, creeërt hij een sfeer, zodat je je welkom voelt. Het voelt aangenaam en vertrouwd. Niet dat er zeer spannende dingen gebeuren, maar Tsjechov weet je effectief zijn verhalen in te lokken. Karakteropbouw, sfeertekening, versnelling, vertraging, het zit er allemaal in, waardoor ik vaak geneigd was slechts op de verhaaltechniek te letten. Maar waar gaan de verhalen überhaupt over?
In De kus staan drie liefdesverhalen, waarvan ik het titelverhaal met enige afstand het beste vond. Dit verhaal gaat over een man die op een feest onverwachts gezoend wordt door een onbekende vrouw, in een donkere kamer. Zij lijkt hem voor iemand anders aan te zien en hierna is ze zo snel verdwenen dat ze de man in verwarring achterlaat. Het tweede verhaal, ‘Romance met contrabas’, is een komische geschiedenis over pech en toeval die letterlijk en figuurlijk niet zoveel om het lijf heeft. Het derde verhaal vond ik enigszins frustrerend. Dit bestaat uit een lange monoloog van een man over zijn liefde voor de verkeerde vrouw. Een vreselijk mens dat hem manipuleert. Als hij haar ware aard ten lange leste inziet heeft zij zijn leven al verpest.
Drie compleet verschillende verhalen van wisselend niveau, dat maakt dit boekje lastig te beoordelen. Duidelijk is dat Tsjechov me kan bekoren. Ik neig voorlopig echter meer naar zijn toneelstukken. Gelukkig is het nieuwste deel in de Russische Bibliotheek het verzameld toneelwerk van Tsjechov, slechts 1248 bladzijden in totaal. Misschien dat ik eerst nog maar eens zo’n klein boekje probeer. Gogol en Isaak Babel zijn hierin ook zojuist verschenen.

16 Maart 2013

Van Oorschot, 2013
Vertaald uit het Russisch door Aai Prins en Anne Stoffel





Comments
 

reading now


Categories