(Zomerlezen 4)

We zijn weer in eigen land, maar de vakantie gaat door. Op het eigen terras leest het ook beter dan op een plein in Lissabon. Bovendien speelt het volgende zomerleesboek zich voor het grootste deel af in Toscane, waar mijn voortkabbelende vakantiegevoel zich al gauw thuisvoelt. Een kamer in Rome is een literaire speurdersroman, een beetje in het straatje van Joost de Vries en Valeria Luiselli, maar minder modern en zelfbewust ironisch. Sipko Melissen lijkt iets minder bezig te zijn met vorm; hij wil zijn lezers uitdagen met de inhoud van zijn boek.

Een Nederlandse student Literatuurwetenschap krijgt een novelle in handen van een onbekende schrijver. Het boek is 25 jaar daarvoor in eigen beheer uitgegeven en onopgemerkt gebleven. De schrijver blijkt een Nederlandse kunstenaar die sinds lange tijd in Italië woont. De student besluit de schrijver te gaan zoeken in Italië en hem, indien mogelijk, te proberen over te halen de novelle te herdrukken. Hij is ervan overtuigd dat dit kleine meesterwerk een groter publiek verdient.

Kortom, alle ingrediënten voor een literaire zoektocht zijn aanwezig: obscure schrijver, een onbekende maar briljante tekst, een idealistische jonge speurder, een romantische Toscaanse locatie. Daarbij worden er interessante parallellen getrokken met andere schrijvers die ooit zijn uitgeweken naar het buitenland: Nabokov, Joyce en Oscar Wilde. De belangrijkste exil-schrijver in Een kamer in Rome is naar alle waarschijnlijkheid John Keats, de Engelse Romantische dichter die op 25-jarige leeftijd aan tuberculose stierf in Rome. Bij leven onbekend, maar na zijn dood een van de meestgevierde Engelse dichters ooit. Keats belichaamt veel van de belangrijkste thema’s in het boek: gebrek aan erkenning in het thuisland, exil, ziekte, de zoektocht naar schoonheid, de liefde voor Italië en al dan niet onderdrukte homoseksualiteit.

Een kamer in Rome
is niet het soort boek waarin alles op het eind perfect samenkomt en duidelijk wordt. De lezer én de jonge hoofdpersoon blijven met flink wat vragen zitten. De student - die overigens in veel interesses overeenkomt met mijzelf - is met name veel over zichzelf te weten gekomen en heeft zijn ontluikende schrijfambities weten te omarmen. Wij hebben een rijk verhaal te lezen gekregen, dat door de vele verwijzingen naar literatuur en schrijvers, Melissens prettige stijl én de Italiaanse achtergrond uitermate geschikt is als zomerboek. Herlees John Keats’ “Ode on a Grecian Urn” nog eens en laat het vakantiegevoel nog even voortduren.

Thou still unravish'd bride of quietness,
    Thou foster-child of silence and slow time,
Sylvan historian, who canst thus express
    A flowery tale more sweetly than our rhyme:
What leaf-fring'd legend haunt about thy shape
    Of deities or mortals, or of both,
        In Tempe or the dales of Arcady?
    What men or gods are these?  What maidens loth?
What mad pursuit?  What struggle to escape?
        What pipes and timbrels?  What wild ecstasy?

Heard melodies are sweet, but those unheard
    Are sweeter: therefore, ye soft pipes, play on;
Not to the sensual ear, but, more endear'd,
    Pipe to the spirit ditties of no tone:
Fair youth, beneath the trees, thou canst not leave
    Thy song, nor ever can those trees be bare;
        Bold lover, never, never canst thou kiss,
Though winning near the goal - yet, do not grieve;
        She cannot fade, though thou hast not thy bliss,
    For ever wilt thou love, and she be fair!

Ah, happy, happy boughs! that cannot shed
    Your leaves, nor ever bid the spring adieu;
And, happy melodist, unwearied,
    For ever piping songs for ever new;
More happy love! more happy, happy love!
    For ever warm and still to be enjoy'd,
        For ever panting, and for ever young;
All breathing human passion far above,
    That leaves a heart high-sorrowful and cloy'd,
        A burning forehead, and a parching tongue.

Who are these coming to the sacrifice?
    To what green altar, O mysterious priest,
Lead'st thou that heifer lowing at the skies,
    And all her silken flanks with garlands drest?
What little town by river or sea shore,
    Or mountain-built with peaceful citadel,
        Is emptied of this folk, this pious morn?
And, little town, thy streets for evermore
    Will silent be; and not a soul to tell
        Why thou art desolate, can e'er return.

O Attic shape!  Fair attitude! with brede
    Of marble men and maidens overwrought,
With forest branches and the trodden weed;
    Thou, silent form, dost tease us out of thought
As doth eternity: Cold Pastoral!
    When old age shall this generation waste,
        Thou shalt remain, in midst of other woe
    Than ours, a friend to man, to whom thou say'st,
"Beauty is truth, truth beauty," - that is all
        Ye know on earth, and all ye need to know. (1819)

27 Juli 2014

Van Oorschot, 2013
Oorspronkelijk verschenen in 2012
264 pagina's











Comments
 

reading now


Categories