Boeken lezen is net schaken. Soms ben je zo verzot op één pion (lees: schrijver) dat je steeds maar weer een stapje met datzelfde stuk zet om een volgend boek van die schrijver uit de kast te pakken. Vaak leidt het ene boek naar het andere, zodat je met een paardensprong naar een nieuwe schrijver springt die je aan de vorige doet denken. Of, als je er even helemaal klaar mee bent, steek je gewoon het hele bord over om bij een totaal ander genre of onderwerp uit te komen. Alles kan, alles mag, maar je stemming van het moment bepaalt uiteindelijk je leesstrategie.
Laten we eens kijken naar de boeken die ik de afgelopen twee maanden gelezen heb. Gewoon om te zien hoe ik van het ene naar het andere boek gehopt ben.

Begin november waren we op vakantie in Zuid-Portugal. Even een weekje ertussenuit om nog wat zonnestralen te vangen voor de donkere maanden echt beginnen. Het leek me realistisch om slechts drie boeken mee te nemen. De vakanties van tegenwoordig zijn tenslotte niet meer de vakanties van vroeger. Uiteindelijk heb ik me de hele week vermaakt met één van de drie boeken, wat langzaam las maar daardoor zeker niet minder leuk was: Life begins on Friday van Ioana Pârvulescu. Een aanwinst van onze vorige vakantie in Roemenië. Het is prettig als je af en toe een goed gesprek met je vrouw kunt hebben, dus toen ik in een boekhandel in Braşov zowaar een Engelse vertaling van Viața începe vineri zag liggen – een populaire Roemeense roman van een paar jaar geleden en een favoriet van mijn vrouw – moest ik die natuurlijk meenemen. Zodra ik niet meer in Roemenië ben zakt de noodzaak zo’n boek te lezen echter onherroepelijk weg, dus ik was erg trots op mezelf dat ik het bewuste boek meenam in de koffer naar Portugal. Life begins on Friday is het wonderlijke verhaal van een man uit onze tijd die in de week tussen Kerst en Oud en Nieuw ineens terecht komt in het Boekarest van vlak voor 1900. Het boek is een vrolijke mozaïek-vertelling over allerlei kleurrijke personages uit de stad die Pârvulescu op ingenieuze wijze met elkaar verbindt. Van de krantenjongen tot de politiechef en van de redactie van de lokale krant tot de dokter en zijn gezin, iedereen reageert op zijn eigen wijze op die eigenaardige onbekende man die tot ieders verbazing over straat gaat zonder hoofddeksel, met een geheel geschoren gezicht en gekleed in rare gekleurde kleren. Om nog maar te zwijgen over z’n bijna niet te verstane accent. Een rare snuiter, dat is wel duidelijk, maar via hem komen alle personages wel nader tot elkaar. Life begins on Friday biedt een zeer origineel inkijkje in het Boekarest van ruim een eeuw geleden, nog voor de communistische bulldozers grote stukken van het oude centrum platsloegen, en aanstekelijk verteld door Pârvulescu.

Nu lijkt het haast alsof ik dit boek in één ruk heb uitgelezen, maar dat zou smokkelen zijn. De vakantie in Portugal was te kort om dit boek uit te krijgen en weer terug in Nederland had ik even behoefte aan iets anders tussendoor. Inmiddels heb ik ook de stripwinkel in Haarlem ontdekt, dus daarvandaan kwam ik thuis met twee aanwinsten: deel 1 van De Kennedy files van Erik Varekamp en Mick Peet en Familieziek van Peter van Dongen. Ik hou erg van strips als tussendoortjes. Hoewel ik niet echt een hele vaste stripsmaak heb moet het liefst wel iets historisch zijn en een beetje literair ook graag. De Kennedy files is een stripserie-in-de-maak over de beroemde familie Kennedy. Deel 1 is hiervan inmiddels verschenen en gaat over de pater familias, de vader van de latere president John F. Kennedy. Deze rijke Amerikaanse zakenman wordt in de Tweede Wereldoorlog de Amerikaanse ambassadeur in Engeland, alwaar hij zich te buiten gaat aan een luxeleventje met chique feestjes, veel drank en veel vrouwen. Allerlei bekende en vaak ook dubieuze figuren komen voorbij en het geheel leest als The Great Gatsby meets James Bond. Varekamp en Peet maakten eerder een stripserie over Prins Bernhard, Agent Orange. Gezien het succes daarvan is het eigenlijk best logisch dat ze als volgende onderwerp de Kennedy’s hebben genomen, want ze maken zeer vermakelijke én historisch goed doortimmerde strips rondom deze historische figuren.
Familieziek is een graphic novel van Peter van Dongen naar de roman van Adriaan van Dis. Van Dongen is een meester in de klare lijn-stijl van Hergé en Joost Swarte en omdat hij net als Van Dis een Indische achtergrond heeft was hij de aangewezen persoon om dit autobiografische verhaal over de jeugd van Van Dis te verstrippen. Na de Tweede Wereldoorlog komt het gezin Van Dis vanuit Nederlands-Indië in Nederland terecht. Adriaan is het nakomertje, vlak na de oorlog geboren, met drie oudere zussen boven zich. Het door de oorlog getekende gezin moet proberen te aarden in het Holland van de jaren vijftig. Het getreiter van de oudere zussen, de nostalgische moeder, de tyrannieke vader en het niet al te gastvrije grijze Holland in de na-oorlogse jaren, Van Dongen vertaalt alles zeer sfeervol naar beeld. Over alles hangt de beklemmende deken van een moeilijke jeugd en dan is er ook nog een mysterieus schaduwbroertje dat hier en daar opduikt in het verhaal, maar over wie nooit gesproken mag worden. Familieziek; mooi. Van Dongens eerdere tweeluik Rampokan, dat ook over Nederlands-Indië gaat, wil ik zeker ook nog een keer lezen.

Hierna ging het eventjes snel en las ik niet alleen alsnog Life begins on Friday uit, maar ook Sapiens van Yuval Noah Harari. Dat boek lag al ruim een jaar voor driekwart uitgelezen te wachten op het laatste zetje en nu was daar dan eindelijk het moment. Om in sporttermen te blijven, ik hoefde ‘m eigenlijk alleen nog maar in te koppen. Het blijft vreemd, het eerste stuk van het boek had ik met veel plezier gelezen. De hype rondom dit boek is wat mij betreft terecht, want ook ik vond het een fascinerend boek. Harari wil maar liefst de hele geschiedenis van de mensheid tot nu toe vertellen in één boek en weet daar wonderwel een tamelijk aanstekelijk geheel van te maken. Toch raakte ik ergens mijn lees-momentum kwijt en legde het boek weg. Gelukkig kon ik vrij gemakkelijk de draad weer oppakken en het laatste stuk alsnog uitlezen, zodat ook Harari een vinkje achter zijn naam kon krijgen. Dat lucht op.

Hierna gebeurde er een paar weken vrij weinig op boekengebied. De tijd rond Sinterklaas en richting Kerst is altijd vrij rommelig en druk, waardoor je weinig tijd overhoudt om te lezen. Om dan ineens in één weekend weer twee boeken uit te lezen. Eerst Heimat van Nora Krug. Een heel mooie ‘graphic memoir’ waar ik erg enthousiast over ben. Nora Krug woont al geruime tijd in de VS, maar is opgegroeid in Duitsland. Heimat – wat ze in het Engels heeft geschreven als Belonging. A German reckons with history and home – is een graphic novel waarin Krug terugkeert naar haar Heimat, naar Duitsland dus. Ze onderzoekt de geschiedenis van haar familie, van haar ouders die opgroeiden in de schuldbewuste jaren na de oorlog en van haar grootouders en hun oorlogsjaren. Heimat is een zoektocht naar Krugs familie, én veel meer dan dat. Via die zoektocht stelt ze ook allerlei vragen over afkomst, over het land en het gebied waar je vandaan komt. Mag je daar als Duitser wel trots op zijn, in het licht van de gruweldaden tijdens de Tweede Wereldoorlog? En hoe zit het met Krugs eigen familie? Waren al haar opa’s en oma’s, ooms en tantes wel onschuldig, of zitten er tussen haar familieleden ook daders? Gebruik makend van allerlei materiaal, brieven, foto’s en spullen van de vlooienmarkt heeft Krug hier een heel eigen, origineel boek van gemaakt. Het vertelt het verhaal van één Duitse familie, maar – en dat is het knappe – tegelijkertijd is het haar gelukt er een universeel verhaal van te maken over wat het betekent om bij een land en bij een familie te horen. Heel mooi en heel knap, misschien wel het mooiste boek dat ik dit jaar heb gelezen.

Gelijk door met wat anders, Wat is een boek? van Paul Dijstelberge. Vakliteratuur voor mij, absoluut, maar gelukkig ook gewoon een leerzaam en vermakelijk boek over – de titel zegt het al – de geschiedenis van het boek. Over letters, papier, drukpersen, schrijvers, uitgevers, boekhandels, zo’n beetje alles wat er over een boek als informatiedrager te vertellen valt. Lekker kort, informatief, met veel interessante plaatjes. Ook al is het maar 200 pagina’s, Wat is een boek? is typisch zo’n boek waar altijd wel weer wat leuks in staat wat je nog niet wist en wat je weer op weg naar andere boeken kan leiden. Een springplank-boek zullen we maar zeggen.

Jeugd, oorlog, Duitsland; via Heimat kwam ik in mijn hoofd al gauw uit bij een van mijn favoriete jeugdboeken van vroeger, Oorlog zonder vrienden van Evert Hartman. Met hetzelfde plezier als waarmee je soms oude films terug kunt kijken kun je ook oude kinderboeken herlezen. Heerlijk vind ik dat. Het enige criterium waar zo’n kinderboek aan moet voldoen is dat ik het ooit al een keer heb gelezen (of misschien wel meerdere keren) en dan is het goed. Even een nostalgie-vinkje zetten in je hoofd. Het leuke met zo’n boek als Oorlog zonder vrienden is, vaak weet je het verhaal nog wel zo’n beetje na te vertellen. De spanning zit ‘m dan eerder in ‘hoe ging dat nou ook al weer precies?’ En dan is het ook nog eens lekker leesbaar, want een kinderboek. Ideaal zo nu en dan.

Tussen Kerst en Oud en Nieuw gingen we naar Berlijn. Een goeie plek voor de feestdagen. Mijn boeken-missie daar: De tolk van Java van Alfred Birney uitlezen. Ook zo’n boek waar ik al een tijdje in bezig was. Geschiedenis, oorlog, Indonesië, het leek me helemaal mijn boek. Alleen, het is zo dik. Om mistige redenen heb ik een soort dikke-boeken-fobie ontwikkeld. Eigenlijk op niks gebaseerd, behalve op het feit dat je over dikke boeken soms nogal lang doet en dat mijn lees-momentum voor zo’n boek dan al weer verdampt is en dat dat stom is en..., nou ja, nergens op dus. Zoals met zoveel dingen is het slechts een kwestie van tijd en planning. En als je dan zo mooie week tussen Kerst en Oud en Nieuw vrij bent, dan past daar precies één zo’n dik boek in. De tolk van Java telt weliswaar vrij veel pagina’s, maar eigenlijk leest het als een trein. Het is een echt vertel-boek, waarin Birney het verhaal vertelt van zijn jeugd en de oorlogsjaren van zijn vader. Vader Birney groeit op in Nederlands-Indië als niet-erkende zoon van een Chinese moeder en een Nederlandse vader. Tijdens de Tweede Wereldoorlog strijdt hij tegen de Japanse bezetters, om na de oorlog als de Nederlandse machthebbers weer terugkeren om hun gezag te herstellen de kant te kiezen van de Nederlanders. Hij neemt dienst bij de Nederlandse mariniers en vecht tijdens de onafhankelijkheidsoorlog die daarop volgt tegen de Indonesische vrijheidsstrijders. Hij kiest partij voor de Nederlanders terwijl veel van zijn voormalige schoolvrienden juist kiezen voor de Indonesische kant. Terwijl zijn donkere huidskleur, zijn jeugd en achtergrond, eigenlijk alles hem juist verbindt met Indonesië, kiest hij voor het land van zijn vader die hem nooit erkend heeft. De Nederlandse strijdkrachten kunnen zijn kennis van de lokale talen goed gebruiken en zo wordt hij formeel ingezet als tolk. De lokale tolken vechten vanwege hun lokale kennis echter juist mee in de voorste linies, waardoor Birney sr. vele oorlogsgruwelen meemaakt en zelf ook veel slachtoffers maakt. Deze oorlogservaringen neemt hij met zich mee als hij na de onafhankelijkheid van Indonesië moet vluchten naar Nederland. Hij krijgt vijf kinderen met een Nederlandse vrouw, waarvan Alfred de oudste is. (interessante parallel met mijn eigen familie: mijn vader heet ook Alfred, is ook geboren in 1951, en zijn Nederlandse moeder is ook opgegroeid in Nederlands-Indië om na de Tweede Wereldoorlog en het Jappenkamp in Nederland een gezin te stichten. Hierna houden de vergelijkingen overigens wel op).
De door de oorlog getraumatiseerde vader maakt het leven van het gezin Birney tot een ware hel. Zijn frustraties en angsten botviert hij met name op de kinderen, waarbij de moeder meer en meer vlucht in huishoudelijke taken, televisie kijken en kettingroken. Als de Kinderbescherming na een paar jaar ingrijpt moet Alfred de rest van zijn jeugd in verschillende internaten doorbrengen. Zo werkt het verleden van de vader op gruwelijke wijze door in het leven van de kinderen en zadelt hij zijn gezin op met een vreselijke jeugd. In De tolk van Java rekent Birney op genadeloze wijze af met zijn beide ouders en deze jeugd. Daartussenin lees je in flashbacks het verhaal van de vader in Nederlands-Indië. Voorwaar geen lichte kost, maar zoals gezegd, Birney vertelt het allemaal op zo’n manier dat het haast wel licht leest. Hieraan kun je aflezen dat hij vele jaren aan dit boek gewerkt heeft. Niet alleen moest dit verhaal vertelt worden en zit er daardoor een enorme verteldrang achter, maar door al het gesleutel en geschrap is alleen het echt noodzakelijke blijven staan. Het boek telt weliswaar 550 pagina’s, maar dat voelt zeker niet als te veel. Je proeft dat er nog heel veel is weggelaten. Het resultaat is een intens boek, dat aangrijpend is, vaak spannend, heftig soms, maar altijd vaart houdt en dus zeer goed in balans is. Sommige stukken die vertellen over de nare gezinssituatie worden soms bijna te veel, maar dan wisselt Birney weer op het juiste moment van perspectief. Velen hebben dit boek Birney’s magnum opus genoemd en dat lijkt me een zeer juiste typering. Hij heeft tenslotte al dertien eerdere boeken op zijn naam staan, die tot dan toe zeer weinig lezers hebben bereikt. Nu komt alles ineens eruit in dit ene boek en zijn er al meer dan 100.000 exemplaren van De tolk van Java verkocht. Mooi hoe dat soms kan gaan. Mijn fascinatie met Nederlands-Indië is met dit boek enerzijds flink bevredigd, maar anderzijds misschien juist wel groter geworden. Ik wil hier zeker nog wel meer over gaan lezen en misschien ook nog wel meer van Alfred Birney, want voor een tot nu haast onbekende schrijver kan hij verdomd goed schrijven.

Roemenië, graphic novels, geschiedenis, oorlog, Duitsland, Indonesië. Dat zijn zo’n beetje de leesthema’s geweest van deze afgelopen maanden. Het ene boek brengt je op het andere, maar uiteindelijk kom ik vaak terug op een aantal interesses, genres en onderwerpen. Net zoals elke lezer waarschijnlijk. Al met al een goede oogst voor dit winterlezen-seizoen.

Ioana Pârvulescu - Life begins on Friday
Istros Books, 2016
Oorspronkelijke titel Viața începe vineri, 2009
Vertaald uit het Roemeens door Alistair Ian Blyth
268 pagina's

Erik Varekamp & Mick Peet - De Kennedy Files 1: De man die president wilde worden
Scratch Books, 2016
96 pagina's

Peter van Dongen - Familieziek - naar de roman van Adriaan van Dis
Scratch Books, 2017
128 pagina's

Yuval Noah Harari - Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid
Thomas Rap, 2016
Oorspronkelijke titel From Animals into Gods. A Brief History of Humankind, 2012
Vertaald uit het Engels door Inge Pieters
464 pagina's

Nora Krug - Heimat. Terug naar het land van herkomst
Balans, 2018
Oorspronkelijke titel Belonging. A german rekons with history and home, 2018
Vertaald uit het Engels door Inge Pieters
284 pagina's

Paul Dijstelberge - Wat is een boek? Een kleine geschiedenis
AUP, 2018
216 pagina's

Evert Hartman - Oorlog zonder vrienden
Lemniscaat, 2018
Oorspronkelijk verschenen 1979
252 pagina's

Alfred Birney - De tolk van Java
De Geus, 2017
544 pagina's



















Comments

Kate Atkinson’s latest, A god in ruins, takes off where her last novel, Life after life, ends. It is not really a sequel though, more a companion piece. Where Life after life was about Ursula Todd, A god in ruins centres on her younger brother Teddy. In most versions of Ursula’s story Teddy dies young, serving as a bomber pilot in the Second World War. Atkinson didn’t devote a lot of attention to Teddy in Life after life, but must have felt sorry for throwing away a perfectly interesting character. And so, two years later she returns with a novel that explores Teddy’s life had he lived to survive the war and start his own family.

If the war was the focal point in Life after life – all of Ursula’s life seemed to move towards that climax – in A god in ruins it is the basis upon which the rest of the book is built. Teddy’s experience as a pilot flying on dangerous bombing missions over Germany marks the rest of his life. Everything that comes after must be dull in comparison. Atkinson not only manages to portray the thrill and excitement of flying, but also delivers a powerful punch when she describes the horrific side of the war in the skies. Aircraft exploding in mid-air or falling from the sky like burning comets, friends and comrades suddenly ripped from your team, the guilt of surviving when so few do. Not to mention the slow realisation after the war, when the devastating effects of those air raids start to become apparent to the ones who threw the bombs.

As the rest of Teddy’s life can never live up to the excitement of his war, nor can the rest of the book, unfortunately. His long-awaited daughter Viola becomes an important character. A spectacularly unsuccessful mother and a cranky middle-aged woman later on, Viola is quite interesting to follow. On her own she can’t compensate for Teddy’s dullness as an older man though. Too good to be true, caring for his wife and grandchildren when he has to, bickering with Viola the rest of the time. I didn’t see the point in telling us all this about Teddy.
Atkinson made me laugh quite a few times and I did enjoy reading about Viola as a wicked character, but while reading through most of A god in ruins I was hoping for the spark that I had found throughout Life after life. It may be that the first decades of last century are just more interesting to read about than what came after. But no, rubbish. A god in ruins simply doesn’t reach the same level as Life after life and shall be remembered as an entertaining summer read.  

21 June 2015

Doubleday, 2015
395 pages

Nederlandse editie: Gevallen god, Atlas Contact, 2015. Vertaald door Inge Kok.



Comments

‘Ik verlaat dit vertrapte leven als jongeman: krachtig van lichaam, klaar van geest. Dat is niet wat ik wil, maar mij werd niks gevraagd.’
Zo opent de roman Meester mitraillette van Jan Vantoortelboom. Aan het woord is de jonge schoolmeester David. Hij is als deserteur tot de dood veroordeeld en staat nu oog in oog met het vuurpeloton. Hoe heeft het zo ver kunnen komen?

Jan Vantoortelboom trekt je onherroepelijk het leven van deze David in, onderweg naar het noodlot in een Vlaamse dorpsgemeenschap. Er gaat iets gebeuren in dat dorp, iets naars, dat voel je gelijk. De schrijver bouwt de spanning echter zorgvuldig op. David komt vers van de opleiding als hij zijn eerste aanstelling ontvangt als leerkracht. Een onbekend dorp, ver weg van waar hij is opgegroeid, en een groep twaalfjarige jongens om onder de duim te houden. Alle begin is moeilijk, maar David weet zijn plek te bemachtigen. De jongens respecteren hem als leraar, ook al houdt hij er soms andere gewoontes op na. Eén jongen, Marcus, begint hij zelfs een hechtere band mee op te bouwen. Dingen zijn dan al in gang gezet die niet meer teruggedraaid kunnen worden. Het noodlot vindt zijn weg langs onhandige uitspraken, verkeerde conclusies en gebeurtenissen uit het verleden die blijven dooretteren. En dan is er ook nog de schaduw van de Eerste Wereldoorlog die al over het verhaal hangt, maar waar de personages zelf nog niks van weten. Het is 1913 en de wereld oogt onschuldig. Een jaar later zal het dorp Elverdinge zich op de frontlijn bevinden.

Wat er in de tussentijd met David, Marcus en de andere mensen uit het dorp gebeurt zal iedereen zelf moeten lezen. Ik ken een hoop mensen die Meester mitraillette nog ongelezen in de kast hebben staan, nadat het vorig jaar een onverwachte bestseller werd. Tegen hen kan ik slechts zeggen: lees het!
Ikzelf kocht het boek ook een jaar geleden, tijdens een literaire avond waarbij Jan Vantoortelboom te gast was. Toen ik hem die eerste scène hoorde voorlezen, in van dat heerlijke Vlaams, was ik gelijk verkocht. Gelukkig behield Meester mitraillette ook zonder de stem van de auteur zijn magie. Vantoortelbooms geschreven Vlaams mag er namelijk ook wezen. Ik las dit boek omdat ik wilde weten hoe het verderging met David, maar genoot ondertussen ook, en misschien wel vooral, van de taal. De woorden, de zuiverheid van de klanken, de helderheid ervan, dat is wat me uiteindelijk het meest zal bijblijven.

26 Mei 2015

Atlas Contact, 2014
271 pagina's





Comments

De Britse historicus Antony Beevor is op zijn best als hij over de Tweede Wereldoorlog schrijft. Zijn boeken vallen onder de noemer krijgshistorie. Zo schreef hij boeken over D-Day, de slag om Stalingrad en de val van Berlijn waarin hij de gave toonde een veldslag inzichtelijk te maken, van generaal tot gewone soldaat. Stuk voor stuk spannende boeken én informatief. Beevors nieuwste boek gaat over het Ardennenoffensief en, laat ik het eerlijk toegeven, ik keek er al een tijd naar uit.

In december 1944 besluit Hitler nog één keer een grootschalig offensief te starten aan het Westelijk front. Aan het Oostfront is het rustig. De Russen wachten op harde vorst om hun grootscheepse winteroffensief te kunnen starten. In het westen zijn de geallieerden tot aan de Siegfriedlinie opgetrokken en beraden ze zich over de beste manier om Duitsland in te trekken. De Duitse tegenstand is verzwakt en eigenlijk houdt niemand een grote Duitse tegenaanval voor mogelijk. De Amerikaanse verdediging van het Ardennengebied is daarom zwak en ontoereikend. Als het Duitse leger op 16 december 1944 haar offensief exact dáár plaatst heerst er al gauw paniek bij de verdedigers. De Duitsers slagen er in korte tijd in een hap uit het geallieerde gebied terug te veroveren. Er ontstaat een bulge in de geallieerde linie waardoor de Amerikanen spreken van de Battle of the Bulge.
Die winter is het exreem koud in West-Europa. Dagenlange sneeuwval, mist en temperaturen van 20 graden onder nul maken de omstandigheden voor beide partijen gruwelijk zwaar. De parachutisten van de Amerikaanse 101ste Luchtlandingsdivisie, nog niet bekomen van de tamelijk desastreus verlopen Operatie Market Garden in Nederland, worden in allerijl naar het bedreigde Bastogne gestuurd, zonder winteruitrusting of gepantserde versterking. De meedogenloze strijd om Bastogne kende ik van de HBO-serie Band of Brothers. Nu begrijp ik echter pas wat zich toen afspeelde in het hele gebied. Voor het overzicht – welke legeronderdelen staan tegenover elkaar, wie valt wie aan, waarlangs en met welk resultaat? – heb je een boek als dat van Beevor nodig.

Aan de hand van kaarten en gesprekken tussen de bevelhebbers maakt Beevor de strategie achter de strijd duidelijk, terwijl foto’s en ooggetuigenverslagen de ontberingen van de mannen in de schuttersputjes illustreren. Zoals deze Amerikaanse officier noteerde, na een zwaar artilleriebombardement: 'In de boomstammen boven onze schuttersputjes werden enorme japen geslagen, en overal om ons heen konden we het knakken van boomtoppen en zelfs takken horen terwijl de genadeloze stalen hagel door het bos joeg en sloeg. Steeds weer hoorden we de bange kreet van iemand die was geraakt, en toch konden we alleen maar in elkaar duiken in onze schuttersputjes, met de rug tegen de voorste muren, en hopen dat we geen voltreffer zouden krijgen. Het leek alsof onze zenuwen aan de wortels werden uitgerukt terwijl het gillende staal rond ons neerplofte' (p. 224).
Ook enkele bekende schrijvers vochten mee tijdens het Ardennenoffensief. Kurt Vonnegut werd aan het begin van de gevechten krijgsgevangen genomen en belandde uiteindelijk na veel omzwervingen in Dresden tijdens de vreselijke Amerikaanse bombardementen. Zijn ervaringen verwerkte hij in Slaughterhouse 5. J.D. Salinger liep gedurende deze periode van de oorlog de trauma's op die we in enkele van zijn Nine stories kunnen teruglezen, terwijl oorlogsjournalist Ernest Hemingway de gruwelen van de strijd probeerde te beschrijven voor het thuisfront, maar zich voornamelijk liet vollopen op veilige afstand achter de linies.

Hoewel de afloop van de strijd bekend is, weet Beevor de spanning er continu in te houden. De hoeveelheid details en informatie is indrukwekkend, maar zorgt er ook voor dat je je geheel in het onderwerp kan onderdompelen. Het lezen van Het Ardennenoffensief is daardoor als het lezen van een eersteklas thriller. Ik zal nu weer moeten wachten tot Antony Beevor een volgend boek af heeft.

11 Mei 2015

Ambo|Anthos, 2015
Oorspronkelijke titel Ardennes 1944. Hitler's Last Gamble, 2015
Vertaald uit het Engels door Bep Fontijn, Willem van Paassen en Pieter de Smit
416 pagina's








Comments

Of all the history books published around the centennial of the First World War The Sleepwalkers may well be the most sold. Many other First World War books take – logically enough - the actual war as their topic: the years 1914-1918, who fought who, how and where, who lost, who won. On the other hand, there is a big interest in the years immediately preceding 1914. Often, those years are seen as innocent and blissful, the calm before the storm. European culture was on a high wave, the arts and sciences flourished, nobody saw the catastrophe that was coming.
Christopher Clark, however, isn’t interested in the war years or the period leading up to the war, as such; his main topic is the five weeks between the assassination of Franz Ferdinand and his wife in Sarajevo and the declaration of war between the two great alliance blocks in Europe.

Clark focuses on the main decision-makers in the various countries involved: France, Russia, England, Serbia, Austria-Hungary and Germany. Who were they and what led them down the path to war? International relations could be trumped by the personal grudges and fears of an important individual who happened to be pulling the strings at the time. The Austrian military commander who was desperate not to seem unmanly in the eyes of the woman he was courting, the powerful English Foreign Secretary with a lifelong case of germanophobia or the French President’s obsession to appear decisive in front of France’s big ally Russia; their character traits played an important role in the decision-making process.

The dark horse in this tale is Serbia. Clark devotes a lot of attention to the Balkan peninsula – the boiling underbelly of Europe – and especially to the country whose illicit terrorist cells led the young Gavrilo Princip to assassinate Austria-Hungary’s emperor-to-be. With the regicide of the Serbian king, the formation of the underground society called the Black Hand and the mysterious figure Apis at the centre of it all, this part was the most exciting in the book.
The middle, with its long exposé of Europe’s political situation on the eve of war, had its ups and downs. However interesting the material may be, some of these chapters took me long to digest. I put the book aside for a few months – something you of course should never do with a tough book such as this – but couldn’t abandon it altogether. People talk so much about this book, even get into heated arguments about it, it deserves to be read. Luckily, once Franz Ferdinand is actually shot the inevitable chain of events that follows – which wasn’t inevitable at the time! – creates such a momentum you can only read on, even though you know exactly what’s coming or, perhaps, because you know.

25 January 2015

Penguin Books, 2013
Originally published in 2012
697 pages





Comments

Hoewel het leven kort bevonden wordt, vind ik dat men tijd moet uittrekken voor het lezen van vervelende boeken. Lastige boeken, rare boeken, irritante boeken; ze kunnen goed voor je zijn. Ze schuren de geest, leiden je af en frustreren, zodat je na afloop gelouterd weer het juiste leespad kunt bewandelen. Lees dat vervelende boek natuurlijk wel eerst uit! Uitlezen is tenslotte net zo belangrijk als beginnen. Beginnen kan iedereen, maar niet iedereen houdt het vol tot het einde en daar zit hem precies de sadistische aantrekkingskracht van zulke boeken. Degenen die het tot het einde volhouden zijn daar zo vergenoegd mee dat ze  het zoveel mogelijk mensen willen laten weten. Wantrouw dus de mensen die het altijd hebben over Joyce, Proust, Woolf of Bolaño. Zij vonden het ook niet zo leuk, maar je moet er na afloop nou eenmaal enthousiast over zijn, daartoe verplicht je jezelf.

Dit is natuurlijk een lange omweg om te zeggen dat ook ik zo’n vervelend boek heb gelezen. Wat een toepasselijke titel, Reis naar het einde van de nacht! Eugene O’Neill zette er tenminste nog het woord ‘long’ voor (zie Long day’s journey into night), maar Céline heeft dat niet nodig. Dat die reis lang is kom je zelf wel achter. Wat een eindeloze, zeurderige, ergerlijke reis! En daar is men dan zo enthousiast over. Ik zeg men, want weinig boeken zijn me zo vaak aanbevolen als de Reis. Al die mensen hebben toch echt hetzelfde boek gelezen, althans als ze de Nederlandse vertaling van E.Y. Kummer lazen. Misschien las u Céline wel in het Frans? In welke taal dan ook, het gezever van die Bardamu blijft gezever.

Een grumpy, old man die terugkijkt op zijn avonturen in de Eerste Wereldoorlog, zijn tijd in de Franse koloniën, een kort verblijf in de VS en zijn werk als dokter in Frankrijk. Goed, oorlog hou ik wel van, kolonialisme levert vaak sterke verhalen op, een berooide Fransman in de VS van de jaren ’20 móet garant staan voor succes. Gelukkig ging dit ook op. Dan moet je echter nog een half boek en het wordt er helaas niet beter op. Minder verhaal, meer geraaskal van Bardamu en zijn tegenspelers.

De Reis wordt meer en meer een strijd, met jezelf welteverstaan. Het boek daagt je continu uit het weg te leggen. Toe maar, gooi mij in een hoek, pak alsjeblieft dat heerlijk frisse boek dat al dagen naar je lonkt, mij ben je niet waard, lafaard! Telkens leg je het weg, boos en opgelucht tegelijk, maar dan denk je ‘verrek, ik laat me toch niet kisten door die vervelende Céline?’ Hou vol, zet door, ploeterend tegen de stroom in.

Er komt een moment dat u het boek dan toch kunt dichtslaan. U heeft de strijd gewonnen, de Reis is volbracht, Céline is dood (gelukkig maar). Zet het boek in de kast en kijk er de eerstvolgende tien jaar niet meer naar om. Misschien dat het u ooit weer in zijn greep zal krijgen. Tot die tijd kunt u er anderen mee lastigvallen. Daarom zeg ik u (u voelde hem waarschijnlijk al aankomen): leest Céline!

23 Mei 2014

Van Oorschot, 2011
Oorspronkelijke titel Voyage au bout de la nuit, 1952
Vertaald uit het Frans door E.Y. Kummer
560 pagina's




Comments

In oorlogstijd is er meestal behoefte aan helden. Er is een vijand die verslagen moet worden en diegene die daarbij helpt is als vanzelf een held. Logischerwijs is iemand die de strijd uit de weg gaat een lafaard. En lafaards dienen, zeker in oorlogstijd, bestraft te worden. De groep Italiaanse soldaten die centraal staat in Een ware held denkt hier echter heel anders over. Zij hebben hun post op een berg die ze koste wat kost moesten behouden verlaten, omdat de Oostenrijkers met hun beschietingen een lawine veroorzaakten. Het heeft weinig zin koppig te blijven zitten en bedolven te worden door een pak sneeuw. Nu kunnen ze hun vaderland een volgende dag helpen verdedigen. Niks daarvan, lafaards zijn het, allemaal! Een hoge officier zal langskomen om elke vierde man te laten executeren. Dat zal ze leren.

Dit is de achtergrond waartegen Martin Michael Driessen zijn novelle laat spelen. De broers Beppe en Luigi proberen hun positie in de rij zo te bepalen dat beiden het zullen overleven. Kansberekening met mensenlevens. Het zal uiteindelijke toch anders lopen dan ze dachten. Een beklemmend verhaal met een onverwacht staartje is het resultaat. Driessen zet de lijnen uit, laat het noodlot onvermijdelijk naderbij komen en laat alles dan net anders lopen. Knap. Het geschutter van het Italiaanse leger bracht onmiddelijk Hemingway’s A farewell to arms in herinnering. Zelfde tijd, zelfde zinloze strijd.

15 December 2013

Wereldbibliotheek, 2013

Comments

With Slaughterhouse 5 Kurt Vonnegut wrote the right book at exactly the right time. It is an anti-war book and a quirky one at that, managing to convey its message while being funny at the same time. Published in 1969 it found a reading audience protesting against the ongoing war in Vietnam. Although Vonnegut was writing about an older war, the Second World War, he did so in such a witty, modern way that his book must have tuned perfectly with the minds of that time.

Slaughterhouse 5 is about the difficulty of writing an anti-war book. Talking to his publisher the narrator admits:

It is so short and jumbled and jangled, Sam, because there is nothing intelligent to say about a massacre. Everybody is supposed to be dead, to never say anything or want anything ever again. Everything is supposed to be very quiet after a massacre, and it always is, except for the birds. And what do the birds say? All there is to say about a massacre, things like Poo-tee-weet?’ (p. 16)

That massacre is the bombing of Dresden, a moment of apocalypse that forms the heart of the story. Vonnegut, however, does not go straight to the point. Instead, he chooses a mixed narrative, a patchwork if you will, in which his hero, Billy Pigrim, is constantly coming ‘unstuck in time’. A deliciously pulpy science fiction plot explains Billy’s ability to travel through time and allows Vonnegut to switch back and forth through his story. Billy Pilgrim – a brilliant name for a modern Everyman and a nice echo of John Bunyan’s classic The Pilgrim’s progress – often has moments where he just fades out and finds himself in another time, quite to his own surprise, and because of this he often seems dreamy and unfocused. This dreaminess, these seemingly random time switches might be the ideal way to weave the Dresden massacre into the bigger story; for Billy the bombing is like a nightmare, a bad dream he occasionally revisits, and that is a surprisingly good description.

While watching a war movie on television Billy suddenly has the sensation he can see things backwards. This scene, a simple but effective idea of Vonnegut, should be read in full:

American planes, full of holes and wounded men and corpses took off backwards from an airfield in England. Over France, a few German fighter planes flew at them backwards, sucked bullets and shell fragments from some of the planes and crewmen. They did the same for the wrecked American bombers on the ground, and those planes flew up backwards to join the formation.
The formation flew backwards over a German city that was in flames. The bombers opened their bomb bay doors, exerted a miraculous magnetism which shrunk the fires, gathered them into cylindrical steel containers, and lifted the containers into the bellies of the planes. The containers were stored neatly in the racks. The Germans below had miraculous devices of their own, which were long steel tubes. They used them to suck more fragments from the crewmen and planes. (p. 60, 61)

To make jokes in a book about war might, by some people, be considered bad taste, but I find it rather effective. Gallows humour may help in bearing the unbearable and, in Vonnegut’s case, humour seems the only way to tell this story with. Not to laugh at terrible things, but creating a new way of telling such a story, mixing high and low, the serious and the comical. Vonnegut deliberately uses other texts to construct his own. When, for example, he refers to Céline’s Journey to the end of the night and Stephen Crane’s The red badge of courage he places himself in a continuous tradition of authors writing about the horrors of war. For comical effect – and presumably to make the point that the bawdry and the dirty are as important as the literary and cultural – Vonnegut uses limericks such as:

There was a young man from Stamboul,
Who soliloquized thus to his tool:
‘You took all my wealth
And now you ruined my health,
And now you won’t pee, you old fool.’ (p. 2)

Slaughterhouse 5 is seen by many as Kurt Vonnegut’s masterpiece and understandably so. Whether or not I have read the best he has to offer – meaning that all else will be lesser in comparison – I shall have to discover. There are certainly a few other famous titles among his books.

20 November 2013

Vintage Book, 2000
Originally published 1969


Comments

De Indonesische onafhankelijkheid van Nederland doet hier nog altijd stof opwaaien. Onlangs nog bood de Nederlandse staat zijn excuses aan voor de oorlogsmisdaden die zijn begaan in het Javaanse dorp Rawagede. Dat er tijdens de twee Politionele Acties die het Nederlandse leger eind jaren 1940 uitvoerdde in Indonesië nog meer oorlogsmisdaden zijn begaan is inmiddels duidelijk, maar het heeft lang geduurd voor dit boven tafel kwam. Nog in de jaren 1990 werd schrijver Graa Boomsma tweemaal aangeklaagd door de Nederlandse staat, wegens smaad, naar aanleiding van zijn boek De laatste tyfoon.
In dit boek vertelt Boomsma het verhaal van zijn vader, die ruim twee jaar lang deel uitmaakte van de Nederlandse bezettingsmacht in Indonesië. Zoals vele van zijn medesoldaten vertelde Boomsma’s vader vrijwel niets over zijn ervaringen toen hij weer terug was in Nederland. Toch probeert Boomsma te achterhalen hoe het voor zijn vader geweest moet zijn. Om als jonge man, amper bekomen van de Tweede Wereldoorlog, een nieuwe oorlog in te duiken aan de andere kant van de wereld. Zijn eenheid bestond uit vrijwilligers, stellig ervan overtuigd dat ze de opstandige Indonesiërs in een paar maanden wel weer in het gareel zouden krijgen. Zij belandden echter in een bloedige guerilla-oorlog die pas na enkele jaren door zeer grote internationale druk van buitenaf werd beeindigd.
In zijn hoedanigheid van historicus weet Boomsma zijn vaders gangen in grote lijnen na te gaan. Voor alles wat daartussenin ligt – wat zijn vader echt meemaakte op Java – gebruikt hij zijn verbeelding. Vandaar dat Boomsma zijn boek zelf ook een roman noemt. Ondanks de gruwelijkheden waarvan Boomsma’s vader getuige is – martelingen, standrechtelijke executies, verkrachtingen, alles door beide partijen overigens – maakt Boomsma ook duidelijk dat dit de belangrijkste jaren in het leven van zijn vader waren. Alles in Indonesië is extremer: kleuren, hitte, smaken, maar ook vriendschap, liefde en haat. Terug in het kille Nederlandse polderlandschap is het moeilijk weer te aarden. Het weemoedige gevoel naar een paradijselijk Indië kwam ik onlangs ook al tegen in Bougainville van F. Springer, terwijl de gruwelijkheden tijdens de Politionele Acties werden aangestipt in Oorlogsparadijs van Nico Dros.
Door de soms wat onoverzichtelijke wisselingen tussen historisch-informatieve passages en passages waarin zowel Boomsma’s vader als hijzelf in beeld komen las De laatste tyfoon soms wat moeizaam, maar het onderwerp is hoe dan ook interessant genoeg om een boeiend boek op te leveren. Verder zijn er vele Indië-boeken waar ik voor de toekomst een keuze uit zou kunnen maken, want ik bleek hier niet zoveel vanaf te weten. Ook spreekt het onlangs verschenen Zwarte canon van Chris van der Heijden me aan, over de minder geslaagde momenten uit de Nederlandse geschiedenis.

22 Maart 2013

Van Gennep, 2012
Oorspronkelijk verschenen 1992




Comments

Een tip van een collega, die dacht dat dit wel iets voor mij zou zijn. Dat had ze goed ingeschat, want het boek beviel me zeer goed. Oorlogsparadijs is een klassieke roman, zowel qua vorm als stijl. Een man van middelbare leeftijd kijkt terug op zijn tijd als arts op Texel, tijdens de Tweede Wereldoorlog. Flarden van herinneringen verontrusten hem dusdanig dat hij besluit terug te keren naar het eiland. Hier is hij sinds de oorlog, bijna twintig jaar geleden, niet meer geweest. Langzaam komen alle herinneringen terug en volgt het in flashback vertelde verhaal van zijn oorlogsjaren.
Aan het begin van de oorlog bevind de arts zich in Amsterdam, waar hij betrokken raakt bij een verzetsgroep. Nadat er na een mislukte verzetsactie een prijs op zijn hoofd is gezet moet hij Amsterdam ontvluchten. Onder een valse identiteit wijkt hij uit naar Texel. Vanwege zijn strategische ligging is Texel tot sperrgebiet verklaart, wat betekent dat het vrijwel van de buitenwereld is afgesloten. Hoewel er bijna dagelijks vliegtuigen overvliegen om Duitsland te bombarderen, verlopen de oorlogsjaren er betrekkelijk kalm. Er is wel een Duitse bezettingsmacht aanwezig, maar die gebruiken hun verblijf voornamelijk om uit te rusten voordat zij naar het front worden gestuurd. In het laatste oorlogsjaar komt aan deze rust een einde als een Georgisch bataljon op Texel wordt ingekwartierd. Krijgsgevangen gemaakt door de Duitsers tijdens hun campagne in Rusland zijn zij ingelijfd in de Wehrmacht en op een Nederlands eilandje verzeild geraakt. Het gaat mis als dit Georgische bataljon te horen krijgt dat zij spoedig naar het front zullen worden gestuurd. Ze gaan tot muiterij over en ontketenen een ware guerillaoorlog op Texel.
Vanaf dit punt, ongeveer halverwege het boek, loopt de spanning flink op. Ineens zit je midden in de oorlog en, hoewel de strijd van korte duur is, is het er niet minder heftig om. De arts, die enkele hachelijke momenten meemaakt in het noodhospitaal waar hij werkzaam is, zit er middenin. Als de rook is opgetrokken en hij het eiland halsoverkop verlaten heeft is zijn leven onherstelbaar veranderd.
Nico Dros maakte van dit verhaal een zeer goede roman, die bij vlagen erg spannend is. Maar, niet alleen qua plot vind ik Oorlogsparadijs geslaagd, misschien vooral ook qua taal. Dros gebruikt een welhaast tijdloos Nederlands, waarin sommige woorden en uitdrukkingen tegenwoordig ouderwets zijn, zonder dat dit afleidt. Het past uitstekend en creeërt een prettige sfeer, als je er na ongeveer een bladzijde aan gewend bent. Toen het flashback-verhaal eenmaal echt begon had het boek me in zijn greep en las ik het in een paar avonden uit. Zo zie je, van de collega’s moet je het hebben.

27 Januari 2013

Van Oorschot, 2012



Comments
 

reading now


Categories